Knopen doorhakken
In afwachting van de uitspraak van de voorzitter van het ambtenarengerecht werd ik geplaatst in het kledingmagazijn in de Tollensstraat.
De uitspraak kwam op 11 januari 1991 en werd op 14 januari bekrachtigd.
De voorzitter van het gerecht overwoog onder meer:
"Op grond van de thans bekende gegevens moet geconcludeerd worden dat verweerder (het GVB, WA) geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker (William Antony, WA) niet heeft beantwoord aan de verwachtingen welke verweerder stelde en redelijkerwijs mocht stellen. Daartoe is ten eerste overwogen, dat verzoeker op 8 oktober is geslaagd voor het bewijs van rijvaardigheid, onderdeel trams, van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam, waarna hij is aangesteld als aspirant-wagenbestuurder. Verder is verzoeker na zijn opleidingsperiode op 9 oktober 1990 beoordeeld en uit het overgelegde beoordelingsformulier blijkt dat verzoeker op alle punten voldeed aan de gestelde eisen. (…) Verzoeker heeft derhalve de opleiding tot wagenbestuurder succesvol afgerond, terwijl hij tevens positief is beoordeeld voor die functie, zodat hij toen kennelijk voldeed aan de eisen die aan hem gesteld werden. Vervolgens is verzoeker gaan werken als aspirant-wagenbestuurder.
Op 19 oktober 1990 heeft een medewerker van verweerder verzoeker enige uren gadegeslagen tijdens zijn werk. Naar aanleiding van deze waarneming is een memo opgesteld, dat heeft geleid tot een gesprek op 1 november 1990. Bij die gelegenheid zijn nadere afspraken gemaakt over herinstructie (…) Uit de thans gekende gegevens is niet gebleken dat de afspraken van 1 november 1990 zijn gerealiseerd, alvorens verweerder tot het bestreden besluit is gekomen. (…) Derhalve is ook niet gebleken dat verzoeker na 1 november 1990 wederom niet oplettend of onveilig zou hebben gereden. (…)
Nu ook de gemachtigde van verweerder in de raadkamer heeft medegedeeld dat het bestreden besluit naar het oordeel van verweerder geen stand kan houden, moet geconcludeerd worden, dat geenszins uitgesloten is te achten dat in de hoofdzaak geoordeeld zal worden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De vraag, of het bestreden besluit bevoegelijk namens verweerder is genomen, kan en zal daarom in het midden worden gelaten."
Achteraf bleek dat de gemachtigde van de gemeente in de raadkamer had gezegd dat volgens hem het ontslagbesluit om diverse redenen geen stand kon houden, maar dat de leiding van de betrokken gemeentelijke diensttak niet bereid was die conclusie te aanvaarden.
De voorzitter van het ambtenarengerecht schorste het ontslag van 26 november 1990 en bepaalde dat het GVB mij vanaf 21 januari 1991 in de gelegenheid moest stellen werkzaamheden als aspirant-personenvervoerder te verrichten totdat in de hoofdzaak onherroepelijk beslist zou worden. Met andere woorden, ik kreeg per 1 januari 1991 een vaste aanstelling als ambtenaar bij gemeente Amsterdam.
De aanstellingsbrief kwam in februari. In maart werd door mij het klaagschrift ingetrokken. Een normale zet, omdat naar verwachting de uitspraak daarover niet anders luiden zou luiden van die van de voorzitter van het gerecht over de voorziening bij voorbaat. En ook als ik de zaak voortgezet zou hebben, zou men te zijner tijd toch weer een nieuwe ontslagprocedure beginnen, daar was ik zeker van. Want de kwestie was nu helemaal gericht op de persoon - míjn persoon.
Wim Boelandt voelde zich in zijn eer aangetast. "De rechter heeft niet gezegd dat we het verkeerd gedaan hebben," zei hij. "We moesten het alleen ánders doen." Maar in feite was er geen verschil geweest in de wijze van aanpak in de Havenstraat en de bij de metro gehanteerde methode. Een "blueprint" noemde de vertrouwensvrouw het. Bij de metro kreeg ik te maken met een groep VIC'ers, in de Havenstraat met een groep VIC'ers plus een team rijdend personeel.
Men moet bij het GVB - ook al gezien het gezegde van de gemeentelijke jurist in de raadkamer - al wel enigszins rekening hebben gehouden met een voor het bedrijf negatieve uitspraak van de rechter. Daarom was in december vanuit het Scheepvaarthuis al contact opgenomen met een psycholoog, die mij een test zou moeten afnemen. Dat zou plaatsvinden op 14 januari. Maar er moest eerst nog eens met mij gesproken worden. Dat gebeurde en daarbij ging het onder meer over de reden voor de afspraak met de psychiater, over de vraag of ik het eens was met een psychologisch onderzoek, hoe en aan wie daarover gerapporteerd zou worden en over de vraag wat het GVB verder voor mij zou kunnen doen.
De test betrof met name mijn verstandelijk en persoonlijk functioneren. In een vertrouwelijk rapport over het onderzoek schreef de psycholoog onder meer: "Na alles wat hij heeft meegemaakt op diverse plekken in het GVB, zal een nieuwe start buiten het GVB ons inziens verfrissend voor hem werken. Het is voor hem thans zaak om - zonodig onder deskundige begeleiding - knopen door te hakken en beslissingen te nemen over zijn verdere leven."
De neiging van directe collega's en andere medewerkers van het GVB om zich met mijn privé zaken te bemoeien bleef niet beperkt tot mijn seksleven. Ook mijn andere bezigheden werden besproken. Want ik hád natuurlijk ook andere bezigheden. Zo werden in de tijd dat ik bij de metro werkte bij mij thuis foto's gemaakt die gebruikt zouden worden tijdens presentaties om nieuw personeel te werven. En bij het eerste Spel Zonder Grenzen van het GVB was ik te zien en te horen op het buitenpodium
Ik had die middag Ruud Besson ontmoet, een journalist van De Telegraaf. Hij praatte de diverse optredens en activiteiten aan elkaar. Ik had een bandje bij me en liet merken dat ik er óók was. "Kom je optreden?' vroeg Besson. "Nou," zei ik, "ik kom eigenlijk alleen maar even langs, maar ik wil ook best optreden." Hij baande voor mij een weg naar de geluidstechnicus - tussen een paar opdringerige allochtonen door, die eveneens wilden optreden. De technicus stopte het bandje in het apparaat en daar stond ik buiten op het podium te zingen.
In de grote tent werd het evenement afgesloten door René Froger. Ik zag er nog de heer Tjon A Ten, die op Froger stond te wachten voor een handtekening. "Meneer kan óók goed zingen," hoorde ik een collega over mij opmerken. Hij had mij trouwens ook nog kunnen zien als figurant in een televisieserie.
Dat dit soort zaken nog zouden gaan meespelen bij de vraag of ik voor de gemeente Amsterdam zou kunnen gaan werken of niet, had ik vooraf niet kunnen bedenken. Het werd zelfs in de psychologische test meegenomen - terwijl ik dacht dat het daarbij toch alleen maar ging om mij een passende functie te kunnen bieden, zoals men beweerde.
In het advies van de psycholoog stond onder meer óók: "Hij treedt thans regelmatig op als solozanger en incidenteel als acteur. Kiezen voor muziek en/of drama als hoofdbron van inkomen achten wij een passende en vrij reële mogelijkheid. Kiest hij echter voor zang en acteren als hobby en bijverdienste, dan gelden de volgende aanbevelingen: functies die weinig psychische belasting kennen en waarin vrij solistisch optreden mogelijk is, komen het meest in aanmerking."
Daarna volgde een hele opsomming van functies waaraan gedacht kon worden. Met als slotopmerking: "Rekenkundig werk boeit hem eveneens en hij bezit sterke numerieke capaciteiten. Een functie op dit terrein komt na scholing eveneens in aanmerking, bijvoorbeeld kassier of boekhoudkundig medewerker."
Als ze nog wat gewacht zouden hebben hadden ze aan die lijst nog kunnen toevoegen: "Meneer kan ook schrijven, want hij heeft een boek geschreven en een promotionbrochure. Een functie op het secretariaat is, na intensieve training, niet uitgesloten."
Uit de test was gebleken dat ik voor een heel scala van beroepen in aanmerking kon komen. Die uitslag was een andere dan waar men wellicht op had gehoopt. Op basis ervan kon ik in elke geval niet in de WAO worden gedumpt, zoals eerder was geopperd. Dat was mede het gevolg van een voorgenomen kabinetsbesluit om drastisch in te grijpen in de manier waarop de WAO werd misbruikt. Bovendien was het standpunt van de bedrijfsarts bekend: ik was volledig arbeidsgeschikt.
Na de uitspraak van de ambtenarenrechter diende ik terug te keren naar het rayon Havenstraat, waar ik voorlopig een plaats kreeg in de portiersloge. Om wat tot rust te komen nam ik eerst een paar dagen verlof. Mijn leven naast het werk moest gewoon door kunnen gaan, vond ik. Het kon niet zo zijn dat de een of andere groep mensen kon bepalen wat ik in mijn vrije tijd deed. Mensen van een politieke partij vroegen me plaats te nemen op hun lijst voor de komende verkiezingen voor de stadsdeelraad Amsterdam-Zuidoost. Ik zei ja. Conform het Ambtenarenreglement Amsterdam vroeg ik om één extra verlofdag per maand wegens politiek-democratische activiteiten. Ik kreeg die dag zonder problemen. Ik bracht hier zelf een "persoonlijke zaak" ter sprake, maar ik vond dat het GVB voor de rest met die zaken niets te maken had. En daarom wilde ik ook geen gebruik maken van mogelijke andere voorzieningen in dit verband.
Het behoeft geen betoog dat men mij in de Havenstraat absoluut niet terug wilde hebben. En al zeker niet op de tram. De opstelling was: Anthony weg van die tram, Anthony weg bij het GVB, Anthony weg bij de gemeente en als het even kan Anthony weg uit Amsterdam.
Ik moest ondanks de uitspraak van de rechter op 21 januari alles inleveren: uniform, administratie, geldcassette, pet, handtas, zonnebril en ambtenarenfluit. Eind januari begon de zogenaamde herinstructie op de tram. Maar wat te verwachten viel gebeurde: wát ik ook deed, niets was goed. En de hoofdinstructeur rapporteerde aan de rayonmanager: "Ik adviseer dan ook de opleiding te stoppen."