Hoofdstuk 12


Een briefje van de adjunct


William Anthony @ iTunes Er werd uitvoering gegeven aan het advies van de psycholoog. Ik voerde tal van gesprekken met Personeelszaken en intussen werden allerlei brochures van studiecentra opgevraagd. Het was duidelijk dat van een terugkeer op de tram geen sprake zou zijn. De zogenaamde herinstructie was een aanfluiting - om toch maar iets te doen terwijl naar andere mogelijkheden werd gezocht. Maureen Vreede trachtte mij te helpen bij het maken van keuzes. Soms leek het wel of zij zelf een nieuwe cursus wilde gaan volgen. Ze werd een soort consulente van me en dat verzwakte enigszins haar positie als vertrouwensvrouw. Het gerucht deed de ronde dat men dringend op zoek was naar jurisprudentie waarmee de uitspraak van de ambtenarenrechter onderuit gehaald zou kunnen worden. Wellicht was er een element - iets dat met racisme en discriminatie van doen had - dat hij over het hoofd had gezien. Ik voelde me het lijdend voorwerp van dat juridisch gedoe. Maar ook wel als het middelpunt. En straks wellicht ook als martelaar - als een toekomstig standbeeld waarbij men eens per jaar bloemen zou leggen. Maar wat had ik daaraan, vroeg ik me af. In een brief, gedateerd 26 april 1991, aan Swinkels van personeelszaken in de Havenstraat, schreef de vertrouwensvrouw: "Beste Gerard. Zoals afgesproken zou ik enig voorwerk doen t.a.v. van dhr. W. Anthony, bij een opleiding van zijn keuze. Wim en ik hebben uiteindelijk besloten met het Studiecentrum ASR in zee te gaan. Wim kiest voor de cursus computerboekhouden, gevolgd door het praktijkdiploma boekhouden. Het was niet mogelijk om in te steken in de basiscursus boekhouden, daar er al te veel tijd ligt tussen het tijdstip van aanvang en het een bijna onmogelijke inhaalmanoeuvre van Wim zou vergen. (…) In september begint dan de PD opleiding. Het is dus zaak om Wim zo snel mogelijk aan te melden." PD stond voor Praktijk Diploma (Boekhouden). Wat ik al voelde aankomen gebeurde: ook over dit voorstel kwam weer gezeik. Bernard Kuyt was nog niet actief in beeld, maar ik ging ervan uit dat dit spoedig wel het geval zou zijn. Hij had me ooit gezegd "dat men mij een kunstje zouden flikken" en dat ik er dan definitief uit zou liggen. Achter de coulissen zou hij waarschijnlijk al wel bezig zijn om samen met Tjon A Ten dat kunstje voor te bereiden. Dat zou dan wat mij betreft de genadeklap zijn, zo dacht ik. We zaten al in mei en de heer Janmaat, coördinator van het studiecentrum, liet aan Swinkels van de Havenstraat weten dat ik eerst de cursus basiskennis boekhouden moest volgen vooraleer ik de cursussen computerboekhouden en PD boekhouden kon doen. Op dat moment was het dus vooral van belang dat ik hoe dan ook die basiscursus boekhouden zou gaan volgen. Dit was het moment waarop Bernard Kuyt weer op het toneel verscheen. Hij kwam met een onderhandse overeenkomst met Tjon A Ten, waarin stond dat ik van 1 april 1991 tot en met 31 mei 1992 cursussen, trainingen en opleidingen zou gaan volgen. Een en ander volledig betaald door het GVB. En vervolgens kwam het kunstje. Want verder stond er: "Er zal geen enkele reden worden geaccepteerd voor het niet volgen van de afgesproken cursussen, trainingen en opleidingen, anders dan door de bedrijfsarts bevestigde langdurige ziekte. (…) Indien de heer Antony gedurende bovengenoemde periode van 1 jaar niet in staat is gebleken om de benodigde kennis te vergaren voor het uitoefenen van een andere functie, zal een ontslagprocedure op basis van ongeschiktheid voor de huidige functie worden opgestart." Men had het dus opnieuw zo gedraaid dat een mogelijke reden voor ontslag was gecreëerd, en deze keer zou discriminerend gedrag van collega's daarbij voor het GVB geen hinderende factor zijn. Ik zag het papiertje voor het eerst op kamer 52 bij Vreede, waar toen ook Kuyt aanwezig was. Het leidde tot een heftige confrontatie. "Waar zijn jullie mee bezig?" zei ik. "Willen jullie me afmatten? Het is niet eens vijf maanden geleden dat er een rechtszaak was tegen mijn vorige ontslag en nu beginnen jullie alwéér!" Ook Kuyt verhief zijn stem. "Als je dit niet tekent," zei hij, "zal ik meteen een ontslagprocedure opstarten. Een denk maar niet dat je dan van je uitkering kunt leven, want die gaat omlaag." Ik werd zo kwaad over de grijns op zijn gezicht dat ik hem bijna een klap voor zijn kanis had gegeven. Ik keek Vreede aan in de hoop dat ze me zou steunen. Maar het was alsof ik naar een dode keek; ze verroerde zich eenvoudig niet. Even bleef het stil; toen schoof zij haar stoel achteruit en ging me vanachter die stoel staan aankijken. Het was duidelijk dat ze allebei behoorlijk kwaad op me waren. Door mijn opmerking over dat rechterlijk vonnis voelden zij zich kennelijk in een hoek gedreven. "Je moet het nu van goodwill hebben," zei de vertrouwensvrouw. "Het zal kwaad bloed zetten als je weer je advocaat inschakelt. Het liefst zouden we zelf even met haar willen spreken. Wil je ons haar telefoonnummer geven?" Aan Kuyt zag ik dat als hij zijn zin niet zou krijgen, dit uit de hand zou lopen. Ik herinnerde me hoe hij, toen we na het gesprek met Tjon A Ten diens kamer uitliepen, tegen me had gezegd: "Eerstdaags zet ik een revolver tegen je kop." Ik wist toen niet wat ik hoorde. Telkens wanneer ik bij hem op kantoor was riep hij de directiesecretaris erbij. Hij mompelde wat met hem maar kreeg kennelijk altijd "nee" te horen. Waar het dan over ging weet ik niet. Om financiële hulp misschien, of om een functie waarin ik geplaatst zou kunnen worden. Maar daar zat ik dus in de kamer van de vertrouwensvrouw, tegenover twee mensen die zich jaren hadden voorgedaan als degenen die mij zouden gaan helpen. De een allochtoon, de ander autochtoon. Een derde allochtoon, Tjon A Ten, zat intussen boven op zijn kantoor of liep weer ergens iets te organiseren. Ik begon in die kamer een beetje de hoop te verliezen. Het enige wat ik nog kon doen was mijn advocaat oppiepen. Ik beschreef haar het briefje. Er stond geen handtekening op en ook geen datum. Mijn advocaat kon er daarom niets mee; ze deed er althans niets mee. Ik voelde me verslagen, moe en verdrietig. Vreemde gedachten gingen door mij hoofd. Zoals: "Wie kan mij nu nog psychische schade berokkenen? Voor die mensen moet ik uitkijken." Maar het gevoel van vertrouwen in mijzelf zouden ze niet breken! Wat dat betreft had ik lang geleden al de nodige geestelijk barricades opgeworpen. Omdat ik immers tevoren had geweten wat er zou kunnen gebeuren. En het wás gebeurd; de laatste capriool met dat cursusbriefje bevestigde het nog maar weer eens. Ach - het was allemaal zo logisch. Met zoveel mensen, uitgezonderd een drietal, die binnen het GVB als het ware een blok tegen mij hadden gevormd was de afloop voorspelbaar geweest. En al die mensen bij het GVB moesten nu weer met elkaar verder: Vreede, Swinkels, Kuyt, Boelandt, Boers en noem maar op. Ze zouden voor mij heus niet met elkaar op de vuist gaan. Allemaal hadden ze nu zo iets van: "Slik dit of val dood." Bij Boers, de chef Rijdiensten, ben ik hoogstens twee keer op kantoor geweest. "Nou praten we jouw advocatentaal," zei hij eens. Verder wilde hij niet op de hoogte raken van mijn zaak: "Hoe minder ik weet, hoe veiliger ik me voel." Sinds april slingerde "het papiertje van Tjon A Ten" van fax naar fax binnen het GVB. En misschien ook wel daarbuiten. Maar eind mei moest er een beslissing over worden genomen. Kennelijk was het toch niet belangrijk genoeg om er tijdens kantooruren over te praten. Er werd een afspraak gemaakt voor na vijf uur. In de Havenstraat, want daar was de zaak door Tjon A Ten neergelegd. Bij het gesprek waren aanwezig: rayonmanager Stuurman, Bernard Kuyt namens de centrale medezeggenschapscommissie en vertrouwensvrouw Maureen Vreede, die mede Tjon A Ten vertegenwoordigde. En ik dus. De bedoeling was aanvankelijk dat de overeenkomst van GVB-zijde zou worden ondertekend door Stuurman. Maar die wilde daar kennelijk niet aan. Rook hij onraad? Speelde zijn geweten hem parten? Maar hij vond het wel goed dat de ondertekening op zijn kantoor zou plaatsvinden. Het document werd op tafel gelegd; en ik dacht dat ik blind werd. Want wat stond daar? De handtekening van Tjon A Ten. Nu was dat briefje ineens een heel stuk "zwaarder" dan toen ik er telefonisch met mijn advocaat over had gesproken. "Waarom doet die man dat nou?" vroeg ik me af. Maar ik kon me nog altijd verzetten. Ik kon nog altijd zeggen: "Nee, ik teken dit niet." Maar de dreigementen die ik de laatste maanden had gehoord waren niet mis geweest. Wat zouden de consequenties zijn als ik in mijn opstelling volhardde? Het papier lag daar, op een glimmend eikenhouten tafelblad. Iedereen zweeg. Ik keek eens naar Maureen en vervolgens naar Kuyt. De vertrouwensvrouw schoof achteruit op haar stoel en Kuyt legde zijn beide vuisten op tafel. Stuurman keek beiden eens aan en zei: "Een status quo dus." En ik? Ik ging door de knieën; ik tekende. Er moesten nogal wat gemengde gevoelens heersen in deze kamer, dacht ik. Stuurman ging een zijkamer in; Kuyt riep nog iets tegen hem en ging hem toen achterna. Vreede bleef zwijgen. Kort daarop nam Stuurman ontslag bij het GVB. Zelf ging ik naar huis met het gevoel dat ik nu een vogelvrij verklaarde was. Dat dit gevoel mij niet bedroog zou de komende maanden blijken. De zaak was beklonken. Er zou alleen nog maar wat fijntjes gemanoeuvreerd moeten worden en dan was het wachten op de dag van de executie. Het GVB had voor mij bij het studiecentrum een privé docent geregeld voor het vak basiskennis boekhouden. Mijn rooster in de loge van de Havenstraat werd aangepast en in "week 24" begonnen mijn privé lessen. Maar er waren meteen al weer problemen. Want die roosterwijziging hield onder meer in dat een collega van de vroege dienst, die eigenlijk om elf uur 's ochtends naar huis mocht, tot één uur op mijn terugkomst moest wachten. En natuurlijk werd over dit soort dingen door collega's geklaagd. En er kwamen weer de bekende verwijten. Ik zou telefonisch verkeerde diensten doorgeven aan trambestuurders die reservedienst hadden - en meer van die dingen. En een collega die een eigen vakbond wilde oprichten "omdat allochtonen de voorkeur genoten" kwam op me af "om dat probleem even op te lossen". Het oude liedje kortom. Niet iedereen was gelukkig zo vijandig. Er was een trambestuurder die tegen de rest zei: "Laat die jongen nou met rust." Maar hij was een uitzondering. Voor het overige was de boodschap duidelijk: ik moest weg uit die portiersloge van de Havenstraat. De laatste dag van de privé lessen was op 4 juli. Maar ik diende snel een andere werkplek te krijgen, anders zou ik het wat het bijwonen van die lessen betreft niet redden. Op 4 juni liet Swinkels een briefje voor me achter: "Wim. Ik heb een gesprek gearrangeerd voor een andere baan op woensdag 5/6/91 11.30 uur bij PAZ. " PAZ was de afdeling Personeel en Arbeidszaken. Eindelijk een echte baan, dacht ik. Maar nee hoor; weer een "mutatieplaats". Dit keer bij Werkvoorbereiding & Planning. Met ingang van 15 juli. Dat was de derde keer in één jaar dat hij GVB mij ondanks mijn geslaagde examens afschoof naar zo'n soort baan. Ik kreeg een paar dagen studieverlof; ik kon thuisblijven tot na de laatste privé les. Nog even volhouden, dacht ik; het is bijna voorbij. Maar ik was weer eens te optimistisch. Want het GVB kon wel een privé docent regelen, maar geen privé examencommissie. Ik had mijn lessen keurig gevolgd, maar het lukte gewoon niet om mij op tijd examen te laten doen. Ik zou een jaar moeten wachten. Maar in de tussentijd zou de termijn verstrijken die in de overeenkomst met Tjon A Ten was gesteld. Bernard Kuyt vond dat dit geen rol mocht spelen. "Hij gaat gewoon naar de volgende cursus," zei hij. Bij de afdeling Werkvoorbereiding & Planning was het intussen weer het gebruikelijke liedje. Was ik er om te werken of was ik er alleen maar gedumpt? Dat gaf weer wrijvingen. Zozeer zelfs, dat de psycholoog een dagje langs kwam om te zien wat er met mij dan wel voor bijzonders aan de hand was. Gelukkig was het vakantietijd en kon ik weer even onderduiken; van 31 juli tot 26 augustus. Vervolgens ging ik weer van gesprek naar gesprek, bijna elke dag. Op een gegeven moment bleek dat de privé docent spoorloos was. Het studiecentrum wilde graag officieel van hem horen dat ik de cursus basiskennis boekhouden had gedaan. Maar men kon hem nergens vinden. Ik begon enigszins te twijfelen. Was het wel een echte docent geweest of iemand die door het studiecentrum snel even was ingehuurd om een grote klant, het GVB, te plezieren? Hoe dan ook, een examen om te toetsen of ik genoeg basiskennis van het boekhouden had, was ineens niet meer nodig. Ik kon zo doorgaan naar de cursus boekhouden PD. Die begon medio september. Het werd een moeilijk karwei. Overdag had ik een zware klus op de werkvloer, 's middags kwam ik redelijk bekaf thuis en dan moest ik een paar uur later weer op cursus. Ik raakte uitgeblust. Naar buiten toe deed ik zo opgewekt mogelijk, maar geestelijk was ik aan het einde van mijn Latijn. "Als dit zo doorgaat val ik er nog eens bij neer," dacht ik. De chef Centrale Technische Dienst in de Tollenstraat wilde me helpen. Ik kon bij de CTD komen werken; men zou mij daar "accepteren". "We hebben hier een plekje gereserveerd voor een zwarte", zei hij. "Maar ik moet keizen tussen een vrouw of jij" Die boekhoudcursus zou ik dan in mijn vrije tijd moeten blijven doen. Want men had er mensen nodig die werkten; geen lieden die even aanwezig waren en dan weer vertrokken. Ik zag een overstap naar de CTD ook als een mogelijkheid om van die overeenkomst met Tjon A Ten af te komen Op 15 november meldde ik me bij het bedrijfsbureau van de CTD bij de heren Leuring van Personeelszaken CTD en Carelse, de chef. Ik had er een goed gesprek met de chef en kreeg te horen dat ik er kon beginnen. Toen ik dat in de Havenstraat aan Swinkels vertelde zei ik hem ook, dat het gewraakte briefje van de adjunct-directeur nu zijn geldigheid had verloren, want dat wat erin stond niet meer uitvoerbaar was. Noch ik noch het GVB konden zich nog houden aan de inhoud ervan. Hij was het daarmee eens en zou het hogerop bespreken. En toen deed ik iets stoms. Op maandag 18 november belde ik Kuyt met de mededeling dat het erop leek dat ik eindelijk een vaste werkplek had gevonden. Had ik niet moeten doen, besefte ik meteen. Want hij werd woest. "Niets ervan," zei hij. "Jij gaat onmiddellijk terug naar de Havenstraat! En aan die overeenkomst wordt niet getornd." Ik keek de chef CTD aan en nam afscheid. Al had ik nog zo mijn best gedaan, Tjon A Ten bleef vasthouden aan die onmogelijke overeenkomst. En mijn vaste baan bij het GVB ging opnieuw niet door.

Naar Inhoud