Hoofdstuk 13


"Bemiddeling"


William Anthony @ iTunes Swinkels wist het nu ook niet meer. Nadat ik twee dagen had rondgehangen in de Havenstraat zei hij: "Wim, ga naar huis en blíjf thuis totdat er een oplossing gevonden is." Later stuurde hij een brief, gedateerd 2 december 1992, waarin hij een en ander bevestigde: "Helaas is het tot nu toe niet mogelijk gebleken een geschikte mutatie-plaats te vinden. Derhalve zie ik geen andere oplossing dan u tot nader order toe te staan om niet op uw werkplek te verschijnen. Met andere woorden: tot nader order hoeft u niet te werken en kunt u uw tijd naar eigen goeddunken indelen." Op die manier kwam er ook een einde aan mijn cursusmartelgang. Wat betreft de vervolgopleiding was het gebleven bij een paar lessen. Ik gaf aan iedereen door dat ik het even niet meer aan kon. Swinkels belde me in december een paar keer op. De feestdagen kwamen eraan en dat was misschien een mooie gelegenheid om in een gezellige omgeving wat met elkaar van gedachten te wisselen. We maakten een afsprak voor een zaterdagavond in de bar van het Okura Hotel. Je had vandaar een prachtig uitzicht op "Amsterdam by night". Op het Scheepvaarthuis gingen geruchten dat Swinkels biseksueel was. En zwarte jongens zouden zijn voorkeur genieten. Maar ik had niet het gevoel dat hij mij wilde versieren. En al zou dat wel zo zijn geweest dan zou het hem niet zijn gelukt want hij was mijn type niet. We babbelden wat en we dronken wat. Voor we afscheid van elkaar namen aten we een shoarma. "Die bonnetjes kun je eventueel nog als werkoverleg declareren," grapte ik nog. Om administratieve redenen bleef ik geregistreerd staan bij het rayon Havenstraat. Intussen gebeurde er echter nog van alles met mijn dossier - maar daar kwam ik pas later achter. Vanuit het Scheepvaarthuis belden Kuyt en Vreede wel eens op. Kuyt gaf me zelfs ook zijn thuisnummer. Vreede was terughoudender. "We moeten de vinger aan de pols blijven houden," zei ze. Even dacht ik dat ze misschien bang waren dat ik zelfmoord zou plegen. In het bedrijf ontstond geroezemoes. Er was sprake van dat er 800 arbeidsplaatsen zouden verdwijnen bij het GVB. Er kwam een reorganisatie aan. Ik moest denken aan wat Swinkels me eens gezegd had: "Als ze je eruit willen trappen dan doen ze dat gewoon in het kader van een reorganisatie." Zo ver leek het nu dus te zijn. Een team van ambtenaren dat eerder de Dienst Was-Schoonmaak-Bad-en Zweminrichtingen had afgebouwd, werd binnen gehaald om schoon schip te maken bij het GVB. Deze ambtenaren hadden een goede reputatie opgebouwd wat betreft het herplaatsen van overtollig personeel. In een rapport had mevrouw Gerda Schouten van het team het als volgt verwoord: "Wij hebben inmiddels honderden mannen en vrouwen (met name ongeschoold en vele etnische groepen) omgeschoold en naar (vaak hogere) administratieve functies gebracht." Op 30 december 1991 had ik om elf uur een afspraak met Vreede en Kuyt in kamer 52. Ik kreeg er te horen dat ik naar het Keerpunt Bemiddelingsteam zou worden doorgeschoven. Het was opnieuw een achterdeur-constructie. Ondoordacht en ook niet volgens de regels. Maar weigeren kon ik niet, want dan zou ik niet voldoen aan de inspanningsverplichting die me door Tjon A Ten was opgelegd. De bemiddeling zou in het voorjaar van 1992 beginnen. Maar intussen was er geen werk voor me en zat ik thuis. Bernard Kuyt belde me op. "Wat denk je," zei hij. "Dat je thuis kunt blijven zitten en een salaris opstrijken terwijl wij het werk zitten te doen? Kom onmiddellijk naar het Scheepvaarthuis." Het is maar de vraag of Kuyt bevoegd was om het besluit gedaterd 2 december 1992 van de hoofd personeelszaken in te trekken en in opdracht van wie hij dit heeft gedaan. Ik had thuis toch niets te doen, dus ging ik meteen naar kantoor. Dat was in januari 1992. Zo kwam ik terecht bij de afdeling Bezettingsgraadmeting (BGM) op het hoofdkantoor, bij Leo de Jonghe. Op die afdeling werd een databank bijgehouden over het rijden van de bussen. Dat werd geregistreerd op cassettes in de voertuigen. Om de zoveel tijd werden die omgeruild, waarna de gegevens die erop stonden in een aparte kamer van BGM verwerkt werden tot leesbare informatie. BGM was, zo bleek me, een afdeling waar ook mensen met een medische mutatie geplaatst werden. Ik bleef bij BGM tot er weer beweging in de tent kwam. De afdeling werd geautomatiseerd en als gevolg daarvan werd personeel overbodig. En dat gold natuurlijk ook voor mij. Begin augustus ging ik naar de Algemene Dienst, de afdeling Post- en Archiefzaken. Ik meldde me daar op 10 augustus 1992 bij de heer Bervoets. Ik zat er tussen de oude dossiers, waaronder bankafschriften waarbij miljoenen erop en eraf gingen. Maar het was al bekend dat ook op deze afdeling te zijner tijd mensen weg zouden moeten. Ik kreeg het gevoel dat ik op een glijbaan was gezet - ik zou heel subtiel worden weggewerkt. Die glijbaan was het Keerpunt Bemiddelingsbureau. Van de andere kant kreeg ik het gevoel dat als ik maar erg mijn best deed ik misschien bij deze afdeling kon blijven. Er waren echter nog altijd veel te veel mensen met mij bezig en ik had niet de fut om het recht op een van de formatieplaatsen te claimen. Bovendien hád ik niets te claimen. Want, naar later bleek, ik had niet de goede status - en men wist dat. Een arbeidsplaats claimen kon alleen maar door personeel dat tot de zogeheten "RAP'ers" behoorde. Dat waren mensen die als gevolg van reorganisaties, bezuinigingen of medische oorzaken buiten hun schuld hun baan bij de gemeente waren kwijtgeraakt. Zij mochten voorrang eisen bij het verkrijgen van een nieuwe functie. Maar ik had intussen een vol jaar gewerkt bij de Algemene Dienst en ik vroeg me af of ik daardoor misschien een tíjdelijke baan kon opeisen. Ik geloofde er heilig in dat eindelijk zou ik het beloofde eerlijke kans krijgen. Het Keerpunt Bemiddellingsteam dacht gebruik te kunnen maken van mijn netwerk van kennissen. Maar hier had je weer die bemoeienis met mijn persoonlijke levenssfeer. Ik werd er niet goed van. Toen het team niet voldoende slaagde in zijn opzet probeerde men de schuld af te schuiven op anderen. Het team zat zelf trouwens ook op de schopstoel. Zo moest het zijn eigen functie bij de Was-Schoonmaak-Bad-en Zweminrichtingen schrappen. Toen mijn definitieve ontslag voor de rechtbank diende - hierover later meer - zou Gerda Schouten schriftelijk onder meer stellen: "Bovendien werden mijn activiteiten met Anthony bemoeilijkt door de contacten die hij binnen het GVB onderhield. (…) Hij had daar contacten met twee personen welke hem in de eerste procedure rond zijn persoon hadden ondersteund. Er werd valse hoop gegeven." Schouten noemde voor de rechter ook mijn "privé business". Dat was mijn werk als zanger. In 1992 had ik een CD gemaakt: "A helping Hand". Dat was volledig in mijn vrije tijd gebeurd, en zonder enige financiële steun van het GVB. Wel was het zo, dat ik om mijzelf als zanger te promoten een klein boekje had gemaakt en dat dit door de afdeling Repro van het GVB was gedrukt. Dat was een voorziening die voor alle personeelsleden open stond. Het was dus helemaal geen uitzondering, en zeker niet het voortrekken van een allochtoon. Op de zolder van het Scheepvaarthuis had iemand bijvoorbeeld een boekingsbureau voor artiesten. Dat was een uitstekend lopende privé business op het werk. Het bureau organiseerde bijvoorbeeld het Jordaan Festival. Zelf ben ik ook eens opgetreden op dat festival. De boosheid van Gerda Schouten kwam voort uit het feit dat ik geweigerd had mijn netwerk van kennissen in allerlei branches bloot te leggen. Mij was gevraagd een lijst van namen te maken van mensen die ik kende. Met die lijst in de hand zou het Keerpunt Bemiddelingsteam aan de slag gaan om te kijken of die mensen iets voor mij konden doen. Maar ik wilde absoluut niet dat dit zou gebeuren; het zou de indruk wekken dat ik bedelend rondging onder mijn vrienden en bekenden. Volgens Gerda Schouten zou dat weigeren als een in selffullfilling prophecy gewerkt hebben. Nou, ik maakte haar duidelijk dat ik in dat flauwekul niet geloofde. Als het aan in selffullfilling prophecy zou liggen, dan zou ik allang miljonair geworden zijn. Daar droom elke dag van! Bij mij versterkte zich steeds meer de indruk dat men nog altijd werkte aan mijn ontslag. In de Havenstraat zouden ze wel naarstig op zoek zijn naar de juiste formuleringen en de juiste gronden om mij te kunnen lozen. Zo was het bij de eerste poging om mij te ontslaan immers óók gegaan…Waarom zou ik dus, dit overwegend, ook nog mijn privé adressenbestand met namen en telefoonnummers aan de gemeente afgeven? Ik merkte echter dat men, gezien mijn activiteiten in de muziek- en theaterwereld, toch had onderzocht of daar voor mij wellicht mogelijkheden lagen. Er waren ondanks mijn bedenkingen brieven rondgestuurd naar mensen uit de muziek- en theaterwereld die ik ooit ergens had ontmoet en naar bedrijven die iets met de showbizz van doen hadden: John de Mol, de NOS, Radio Amsterdam, het Antillenhuis en enkele theaters en privé personen. Schouten: "Die brieven zijn door mij gemaakt, omdat hij dat zelf niet goed kan. Hij heeft alleen zijn handtekening hoeven plaatsen." Als beginnend student Nederlandse recht stond ik er een beetje versteld van dat een overheidsinstantie zozeer in de privé levenssfeer van een burger kon binnendringen. Ik protesteerde er ook tegen. In mijn herberg was geen plaats voor dat soort gedoe. Maar bij de behandeling van mijn ontslag pikte de rechter het op toen het ging om de "inspanningsplicht" die de gemeente had gehad om mij aan werk te helpen. Hij zei iets in de trant van: "Nou ja, het heeft dan wel geen resultaat gehad, maar de gemeente heeft in elk geval wel iets gedáán." In augustus 1992 vertrok ik uit het Scheepvaarthuis; ik ging naar een stageplaats - voor zes maanden - in het stadsdeel Zuidoost. Die was op de afdeling Infrastructuur. Ik sprak daar over mijn aanstelling met de heren J. Degens van het stadsdeel en B. Schaapman van het GVB. Mijn stagebegeleider was de heer Stevens. Maar er waren ook hier direct al twee minpunten. Om te beginnen was het niet meer dan een stageplaats, helemaal onderaan de lijst van vastigheid qua werk. En bovendien was ook in Zuidoost een reorganisatie op komst. Het stadsdeel moest zich gaan concentreren op zijn kerntaken. De gevolgen daarvan voor mij werden mij persoonlijk overgebracht door het hoofd van Infrastructuur. Ik lag er weer eens uit. Mijn "privé business" kon er nu echt niets mee te maken hebben. Dat ik weer eens met ontslag geconfronteerd werd deed me des te meer pijn omdat ik juist rond deze tijd weer een kleine cursus met succes had afgerond: die voor het "certificaat spreadsheat" van het boekhouden Ik had me bij de onvermijdelijke gang van zaken neergelegd. Het was wachten tot mijn dossier naar de burgemeester zou gaan voor diens handtekening - betreffende mijn ontslag. Dat daaraan gewerkt werd wist ik. Maar het ging wat heen en weer. Op 23 april 1992 schreef Wim Boelandt me vanuit de Havenstraat: "Gezien de mogelijkheden en de positieve verwachtingen die mevrouw Schouten ten aanzien van een eventuele herplaatsing heeft uitgesproken, deel ik u mede akkoord te gaan met verlenging van de termijn, die u met de heer Tjon A Ten had afgesproken inzake de beëindiging van uw dienstverband." Hč, hč, dat was dan eindelijk eens door iemand op papier gezet. Boelandt vroeg mijn medewerking "om de nu reeds lang slepende zaak tot een goed einde te brengen". Ik vond dat wat vreemd en ook niet erg geloofwaardig. Want in een eerder stadium had hij mij klip en klaar laten weten: "Dit noopt ons per onmiddellijke ingang uw dienstverband te beëindiging." Daaruit had volgens mij zijn ware bedoeling gesproken. Maar daar moest hij nu kennelijk even op terugkomen. Ik liep in die tijd rond met de gedachte dat juist omdat ik op tal van punten medewerking had verleend aan wat men met mij wilde, ik ten slotte terecht was gekomen op een stageplaats zonder perspectief in Zuidoost. De hulpverleners hadden gewoon het verkeerde traject gekozen om mij aan een passende functie te helpen. Ik had dat al in december 1991 tegen Bernard Kuyt en Maureen Vreede gezegd, maar ze hadden niet naar me willen luisteren. Ik bedoel hiermee van mijn hobby werk maken in de showbiz. Misschien waren het de liedjes van me, die Bernard Kuyt op een cassettebandje heeft gehoord, in zijn hoofd blijven hangen. De functie die ik toen bekleedde zou niet worden opgeheven, maar ik moest er kennelijk uit weg. "Geef me dan een andere," zei ik steeds. Men vond dat de klanten bang waren van me. Het antwoord was altijd "nee" geweest.

Naar Inhoud