Hoofdstuk 14


En vervolgens ontslag


William Anthony @ iTunes Het ontslag dat al een tijd in de lucht hing, kreeg ik ten slotte op 11 juni 1993. Het daartoe strekkende besluit droeg het nummer 373/3 CAPZ 1993. Officieel stond erin dat mij "wegens ongeschiktheid en/of onbekwaamheid anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, met ingang van 14 augustus 1993 ontslag uit de gemeentedienst was verleend". Wat wás dan wel die "andere ongeschiktheid" vroeg ik mij af. Mijn homoseksualiteit? Het leek er verdacht veel op. Mijn advocaat wees het GVB - te laat, volgens mij - op de RAP-regeling. Die kon toch voor mij worden aangewend? Maar namens het GVB antwoordde mr. R. Woesthoff in november 1993: "Tot de categorie RAP-ers behoren degenen wier functie als gevolg van een reorganisatie is opgeheven (R), degenen die zijn afgekeurd en herplaatsbaar verklaard (A), en degenen wier functie als gevolg van een posterioriteit (P) (bezuiniging) is opgeheven. (…) Derhalve is de heer Anthony geen RAP-er. (…) Die is uitdrukkelijk voorbehouden aan de bovengenoemde categorie van personeelsleden, die buiten hun schuld om zijn ontslagen." Ook tegen dit ontslag ging ik in beroep bij de ambtenarenrechter. Mijn advocaat vroeg ook weer om een voorlopige voorziening, zodat ik aan het werk kon blijven. In zijn uitspraak over die voorlopige voorziening, gedaan op 1 september 1993, haalde de fungerend president van het ambtenarengerecht het roemruchte briefje van Tjon A Ten erbij. En eens te meer bleek wat voor laaghartige streek me daarmee in feite geleverd was. De rechter: "Tenslotte kan er niet geheel aan voorbij worden gegaan dat aan verzoeker in maart 1991 de conclusie omtrent zijn ongeschiktheid voor het werk als personen-vervoerder reeds is medegedeeld en dat hij toen heeft ingestemd met die conclusie, door de overeenkomst met de adjunct-directeur van het GVB te ondertekenen. Verzoeker heeft toen geen enkel voorbehoud gemaakt en ook nadien heeft hij tijdens de bemiddelingperiode nimmer aangegeven weer werkzaam te willen en kunnen zijn als personenvervoerder." Dat was - vergeef me het woord - een lulverhaal van deze rechter. Want ik had door het ondertekenen van dat briefje helemáál niet ingestemd met de vaststelling dat ik ongeschikt was voor het personenvervoer. Ik was alleen maar onder grote druk, die verdacht veel op chantage leek, akkoord gegaan met de studiediscipline die mij werd opgelegd. Bovendien was ik later nog wel eens op dat briefje teruggekomen. Dat was onder meer toen ik op 14 januari 1993 een gesprek had met Tjon A Ten over de manier waarop mevrouw Schouten voor mij bemiddelde. Ik had hem daar ook nog een brief over geschreven. Wellicht had ik dat toen niet duidelijk genoeg geformuleerd, of had ik dat briefje door mijn advocaat moeten laten sturen. Maar ook de bemiddelaars wilden niets weten van advocaten. Dat bleek wel uit een koele brief van mevrouw Schouten, waarin zij op 15 juli 1993 onder meer schreef: "Verder gaf U aan, brieven en/of andere mededelingen van mij aan Uw persoon, te richten aan Uw advokaat, Mevr. N. Koot en geen contact meer met U op te nemen." Misschien is het allemaal niet helder genoeg overgekomen, dacht ik, en daarom ging ik nog maar eens persoonlijk naar het stadhuis om een en ander mondeling toe te lichten. Maar in feite had het allemaal weinig zin meer; er viel voor mij niets meer te redden - ook niet door een advocaat. Enfin, volgens de rechter heb ik dus zelf afstand genomen van de functie als personenvervoerder en gekozen voor de functie van bureau-ambtenaar. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (6 maanden) voor dat laatste functie was destijds niet opgezegd en ook niet beëindigd. Het zou van rechtswege eindigen.

Intussen ging het gemiereneuk gewoon door. Toen ik me een keer ziek meldde in Zuidoost ging daarover meteen een melding naar de Havenstraat. Die stuurde een lekencontroleur op me af en die maakte een verkeerde aantekening. Gevolg: ik werd in de Havenstraat op het matje geroepen. Maar daar ontdekte men snel de gemaakte fout, hetgeen mij per telegram werd meegedeeld. Het luidde: "De afspraak met J. Brandt op 15-4-'93 is komen te vervallen. Nieuwe afspraak hoeft niet gemaakt te worden, daar u zich op 8-4-'93 wel aan de voorschriften arbeidsverzuim heeft gehouden." Vlak voor de behandeling van mijn ontslag door de rechter hield mevrouw Koot de advocatuur voor gezien. Ze wilde binnenhuisarchitect worden. Ze droeg mijn zaak over aan mr. R. van Diepen. Wat zij de rechter moest voorleggen was niet meer de simpele discriminatiekwestie die de ambtenarenrechter in eerste instantie had moeten beoordelen. Want bij het GVB had men zijn werk gedaan; het ging nu om heel iets anders, stelde de vertegenwoordiger van de gemeente. De vraag was nu: hadden de gemeente Amsterdam en het GVB voldoende gedaan om mij aan vast werk te helpen? Aan het begin van alle ellende, de discriminatie, werd voorbijgegaan. De echte reden voor de overplaatsing werd door de jurist van Gemeente Amsterdam dit keer niet in zijn pleidooi meegenomen. In het kader van vorige procedure heeft hij montjes maat toegegeven dat het ontslag niet door kon gaan. Wat was er gebeurd met de brieven van de bedrijfsarts, de Vertrouwensvrouw en de psycholoog? Het was een strategie die werkte, want deze keer kreeg de gemeente van de rechter gelijk. In de motivering van de uitspraak stelde deze onder meer: "In het kader van de vorige procedure is bij uitspraak van 14 januari 1991 een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat eiser in de gelegenheid diende te worden gesteld om vanaf 21 januari zijn werkzaamheden als aspirant-personenvervoervoerder te verrichten. Maar gelet op het feit dat de termijn voor een tijdelijke aanstelling was verstreken kon dit alleen geschieden door middel van een vaste aanstelling. Dit heeft geen nadelige invloed gehad op de rechtspositie van de heer Anthony.' Dat klopte - voor een korte tijd. De rechtbank overwoog verder: "Uit de rapportage van mevrouw Schouten blijkt voorts dat verweerder (gemeente Amsterdam) voldoende inspanningen heeft verricht om eiser ander werk te verschaffen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om diverse cursussen te volgen en verweerder heeft bemiddeld bij sollicitaties. (…) Dat dit alles niet tot gevolg heeft gehad dat eiser ander werk heeft kunnen vinden, is echter eerder te wijten geweest aan de ongunstige positie van eiser ten opzichte van kandidaten met de zogenaamde RAP-status, die naar dezelfde vacatures solliciteerden, dan aan de wijze waarop namens verweerder inhoud werd gegeven aan de bemiddelingspogingen." Daarmee bevestigde de rechtbank ik feite wat ik al die jaren al tijdens talloze gesprekken als bezwaar naar voren had gebracht. Namelijk dat bemiddeling voor mij voor een baan binnen de showbiz branch in feite nutteloos was, omdat de zogenaamde RAP-eisen zo'n strekking niet konden hebben. Achteraf - na 11 juni 1993 - bleek ook, dat ik niet aan de zogenaamde RAP-eisen voldeed. Aan de hand van de afwijzende reacties op mijn claims op de vacatures vroeg mevr. Mr. N. Koot op 1 november 1993 aan mr. Woesthoff, een getinte jurist, hoe zijn uitlatingen ter zitting zich verhouden tot de opvatting van een Hoofd Personeel, Organisatie en Informatie van een Stedelijk Beheer. In antwoord daarop schreef Woesthoff: "Derhalve is de heer Anthony geen RAP-er. Dat is door mij ter zitting ook niet gesteld. Wel is door mij gesteld, dat de heer Anthony bemiddeld zal worden gedurende zijn wachtgeldperiode. Doch daarmee verkrijgt hij niet de RAP-status. Ik had geen RAP-status en kon het ook niet verkrijgen. Dat wist Gerda Schouten ook maar toch koos zij voor dat geklier met mijn privé contacten. Een verplicht nummertje waar ik overigens zelf niets in de melk te brokken had. Dit blijkt uit haar brief gedateerd 21 januari 1993. De rechter schreef daarover: "De rechtbank overweegt hierbij dan ook dat een eventueel gebrek aan de kwaliteit van verweerders bemiddelingspogingen verweerder niet kan worden verweten, aangezien eisers formele positie niet gelijk was te stellen aan die van een RAP-per." Kortom: het was allemaal drooggeilerij geweest terwijl men al lang wist dat er in feite niets uit zou kunnen komen. Mijns inziens had de rechtbank even goed tot de conclusie kunnen komen dat de gemeente niet zorgvuldig genoeg had onderzocht of ik in een andere functie binnen de gemeente zou kunnen worden geplaatst. Een daartoe strekkend "herplaatsingsonderzoek" is er namelijk nooit geweest. Had men dat gedaan dan zou vastgesteld kunnen zijn of ik, zijnde geen RAP'er, al dan niet om andere redenen recht op een voorkeursclaim had. Over de gronden die het GVB aanvoerde voor mijn ontslag zei de rechter: "Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet onder ongeschiktheid van een ambtenaar voor zijn betrekking worden verstaan: het niet passen in die betrekking op grond van het behept zijn met eigenschappen van karakter, geest of gemoed. Deze functionele ongeschiktheid moet voorts blijken uit handelingen of gedragingen van de betrokken ambtenaar." Ik bedacht wat dit in mijn geval had betekend. Als er maar genoeg collega's waren die rapportjes schreven - al dan niet waar - over mijn "karakter, geest of gemoed" en ze kregen daarbij steun van de leiding, dan was volgens de Centrale Raad van Beroep mijn lot bezegeld. Wist een rechter veel, dat die rapportjes niets anders waren dan de uiting van regelrechte discriminatie… De rechtbank overweegde ook dat ik gedurende een langere periode, te weten van 29 januari 1991 tot 26 februari 1991, geobserveerd werd tijdens de uitoefening van mijn werkzaamheden als aspriant personenvervoerder door verschillende waarnemers en instructeurs. Dit is pertinent onjuist! In die periode heb ik 12 werkdagen samen met één instructeur kris kras door Amsterdam gereden in afwachting op de pscychologisch rapport, die op 30 janauri 1991 klaar was, en de resultaat van de besprekingen met Tjon-a-Ten. Met andere woorden: er was geen sprake van verschillende waarnemers en instructeurs. Mijn advocaat had in haar pleidooi nog met nadruk gewezen op die voorgeschiedenis, door onder meer te stellen: "Nadat die vaste aanstelling was gegeven, heeft Anthony nooit meer op de tram gezeten. Er was dus een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (zonder baan) én er was een vaste aanstelling (eveneens zonder baan). Het GVB zat echter in de problemen; het was in feite dubbel gebonden aan de heer Anthony. (…) Het plan werd bedacht om de 50/50 verklaring op te stellen, kennelijk als uitweg uit deze onmogelijke situatie. Het werd aan de vertrouwenspersonen (de heer Kuyt en mevrouw Vreede) overgelaten om Anthony te bewegen de verklaring te tekenen. In principe vond Anthony het best wel een goed idee. Omdat met ontslag werd gedreigd ingeval hij niet zou tekenen, heeft hij direct zijn misgenoegen kenbaar gemaakt. Maar het was stikken of slikken: Anthony koos ervoor om te tekenen." De advocaat vond dat het ontslagbesluit subsidiair gegrond was op de stelling dat bemiddeling en opleiding niet tot plaatsing in een andere functie hadden geleid. "Maar waarom is een en ander niet gelukt?" vroeg ze en gaf daarbij een opsomming: "Allereerst vanwege de onduidelijkheid over de rechtspositie en de status van Anthony. Vervolgens vanwege de constructie van het 50/50-model. Tenslotte vanwege het verschil in opvatting over de bemiddeling tussen de bemiddelaar en de heer Anthony. Wat punt één betreft: de rechtspositie en de status van de heer Anthony waren steeds onduidelijk. Zo bleek hij geen RAP-status te hebben, terwijl alle vacatures waarop hij met voorrang zou mogen solliciteren een dergelijke status vereisten (…) Van voorrang bij sollicitaties was dus geen sprake, althans niet om ook daadwerkelijk aangenomen te worden. Het tweede punt: het 50/50-concept was weinig gelukkig gekozen, hoewel het op papier goed klinkt. De heer Anthony vloog van hot naar haar: werken hier en werken daar, studeren, bemiddelen hier, bemiddelen daar, gesprekken met Personeelszaken, gesprekken met vertrouwenspersonen, 's avonds laat thuis gebeld door Personeelszaken, afspraak 's avonds in de bar van het Okura-hotel, en dat allemaal níet gericht op een vaste baan. Punt drie: het verschil van inzicht tussen bemiddelaar en Anthony. Mevrouw Schouten had duidelijk als opdracht om de heer Anthony te bemiddelen naar waar dan ook, als het maar niet bij het GVB was. Zij begon met het aanschrijven van de theater- en televisiewereld, zeer tegen de zin van de heer Anthony in. Daar had Anthony goede redenen voor. Ten eerste omdat hij bij het GVB wilde blijven; ten tweede omdat hij zijn hobby en privé contacten niet wilde mengen in zijn "arbeidsconflicten"; en ten derde omdat een baan in die branche niet bereikt kan worden met sollicitatiebrieven." "Ten slotte nog even dit," aldus mr. Van Diemen. "Ten tijde van de eerste voorlopige voorziening in januari 1991, heeft de gemeente al moeten erkennen dat het GVB daar niet aan wilde. Toen uw voorzitter de gemeente in het ongelijk stelde, voelde het GVB zich nog immer niet aangesproken en dat is zo gebleven. Aan de interne verhoudingen binnen de gemeente kunnen we niets veranderen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, dat nu weer wordt aangesproken, blijft verantwoordelijk." Dezelfde juridisch medewerker van gemeente Amsterdam die in januari 1991 verklaarde dat om diverse redenen het beluit geen stand kon houden, opende zijn pleidooi met "dit keer heeft geaardheid geen rol gespeeld bij het beluit vorming". Over het rapport van de vertrouwenscommissie betreffende de discriminatie van een homo werd niet meer gerept. Het verdween als sneeuw voor de zon. Mijns inziens had dat rapport ook in deze ontslagkwestie een belangrijke rol moeten spelen. Alleen dán zou er een juist beeld van de betrokken feiten en omstandigheden zijn geschetst. Want uiteindelijk was de hele situatie ontstaan door de gebeurtenissen van toen. In het vervolgtraject had de gemeente in alle redelijkheid en billijkheid best tot een andere oplossing kunnen komen, ware het niet dat men zich al die tijd had blindgestaard op: ontslag, ontslag, ontslag. Met het verdonkeremanen van deze discriminatie heeft de gemeente Amsterdam mijns inziens haar eigen homobeleid voor schut gezet. Terwijl bij het GVB de ene partij te goeder trouw probeerde voor mij een oplossing te vinden, was een andere partij druk bezig met het wegmoffelen van de waarheid en het voorbereiden van mijn ontslag. En wat werd daarbij de situatie? De termijn voor een tijdelijke aanstelling was officieel verstreken. Maar dat hoefde geen reden te zijn om met allerlei toestanden en bombarie meteen te gaan werken aan mijn ontslag. Toch was dát wat er gebeurd was. Termijnen - ja, ze waren belangrijk. Maar het was de gemeente die er de oorzaak van was dat die termijnen verliepen. In de Havenstraat had men mij de rijopleiding moeten laten volgen. Men zal gedacht hebben dat ik het, gezien de moeilijke omstandigheden, niet zou redden. Maar ik slaagde voor die rijopleiding én ik kreeg een goede beoordeling wat betreft een vaste aanstelling per 1 januari. Maar men wilde mij kwijt, en dus kwam er een tweede aanval. Het werden een aantal rapporten over mijn rijstijl. Die deugde niet, volgens de heren van het GVB, ondanks het feit dat ik mijn rijexamen met goed gevolg had afgelegd. Daarop berustte het eerste ontslagbesluit. Destijds overwoog de voorzitter van het ambtenarengerecht dat "van een beginnend wagenbestuurder niet verwacht kan worden dat hij zijn functie direct optimaal vervult". Die uitspraak was duidelijk: het GVB moest mij op de tram laten rijden, desnoods nog enige tijd onder begeleiding. Maar alles duidt erop dat het GVB nooit uitvoering heeft willen geven aan dat rechterlijk vonnis. Want al vanaf mijn ontslag was men gaan praten over een beroepskeuzetest en een mogelijke andere arbeidsovereenkomst. De herinstructie die ik kreeg op de tram was een pseudo herinstructie - met voortdurend negatieve rapportages. Vervolgens kwam die overeenkomst met de adjunct-directeur. Stap voor stap werd zo aan de ondermijning van mijn positie gewerkt. Ook bij de tweede rechtszaak was door mijn advocaat zoals gezegd een voorlopige voorziening gevraagd. De rechter wees die af. In zijn motivering stond onder meer: "Na het geschil omtrent de aanstelling in vaste dienst was het verzoeker bekend dat er kritiek bestond op zijn functioneren. Hij wist dus dat hij gedurende de herinstructie zijn werk zo goed mogelijk diende te verrichten." Natuurlijk wist ik dat! Maar hoe kon ik mijn werk naar behoren doen terwijl bijna dagelijks uit de meest onverwachte hoeken weer een rapportje over mij verscheen. Ik had geen mogelijkheden om het allemaal uit te leggen en tegen te spreken. Mijn instructeurs konden kennelijk opschrijven wat ze wilden, of dat nou waar was of niet. Had ik een mogelijkheid om te kunnen bewijzen dat dergelijke waarnemingen met een opzet plaatsvonden? Men was trouwens niet onbevooroordeeld tegenover mij. En dat was eigenlijk ook niet zo gek. Iemand die voortdurend weg moest voor een gesprek hier of een gesprek daar, en die daardoor steeds andere instructeurs kreeg, dat werkte nou eenmaal niet lekker. In het natraject van de eerste rechterlijke uitspraak was het aan het GVB geweest om het wederzijdse vertrouwen te herstellen. Maar wat gebeurde was precies het omgekeerde. Een "nieuw begin" was het doel geweest van mijn overplaatsing, indertijd, naar de Havenstraat. Dat was niet gelukt omdat een of meer van de leidinggevenden daar het niet eens waren met die overplaatsing en zich met mij "opgezadeld voelden". Naar mijn mening was dat een slappe reactie geweest. Want als leidinggevende dient men over enig incasseringsvermogen te beschikken. Men had in de Havenstraat een "vervelende opdracht" gewoon moeten uitvoeren en er niet als kinderen over moeten gaan zitten mokken. De gevolgen waren een steeds maar dikker wordend dossier over mij en een kwestie die geheel onnodig uitgroeide tot een prestigezaak voor de leiding van het GVB. Een leiding, die als gevolg daarvan zelfs keihard weigerde een rechterlijk bevel uit te voeren. En dan de overvloed aan machtsvertoon waarmee dit alles gepaard ging! Die stond volgens mij in geen enkele verhouding tot de zaak waar het om ging. Ik had de kwestie op een gegeven moment in de publiciteit kunnen brengen, maar ik voelde daartoe indertijd geen behoefte. Allereerst vanwege het onder allochtonen nog steeds bestaande taboe wat betreft homoseksualiteit en óók omdat de verhoudingen er niet beter door zouden worden. De mogelijkheid is in kamer 52 wel besproken, maar ik koos er toen voor niet publiekelijk met modder te gaan gooien. De rechtszaak over mijn tweede ontslag diende op 23 januari 1995. Ik was er persoonlijk bij aanwezig en werd bijgestaan door mr. Van Diepen. Het GVB werd vertegenwoordigd door een gemachtigde van de gemeente. Wim Boelandt en Gerda Schouten waren er als getuigen. De laatste voerde onder meer aan dat het haar soms moeilijk viel met mij te communiceren. "Het is communicatief gezien heel moeilijk echt tot hem door te dringen," aldus Schouten. "Je weet vaak niet wat hij denkt of vindt. Soms heeft hij vreemde uitdrukkingen, die niet te begrijpen zijn. Soms drukt hij zich uit in denkvormen en laat daarbij halve zinnen weg. Ik ben er niet achter of dit al dan niet bewust gebeurt. Ik heb wel eens met hem gesproken over mijn ervaringen en dat mijn mogelijkheden klein zijn." Zij vertelde ook, dat haar bemiddelingswerk in 1991 was beloond met de prijs van het AenO-fonds. Het werd mij duidelijk dat de bemiddelaarster een voor mij positieve uitspraak van de rechter als een klap in het gezicht zou ervaren. Op 6 maart 1995 werd vonnis gewezen. Het GVB werd in het gelijk gesteld; de rechter vond mijn ontslag terecht. Ik kon me, toen ik dat hoorde, niet aan de indruk ontrekken dat de rechter simpelweg gezwicht was voor het GVB. In het algemeen leek de rechtszaak op spectaculaire vertoning, waarin zelfs de toen nog in mode semafoon, de pieper, aan bod kwam in de uitspraak van de rechter. Ik zou de advocaat 'gepiept' hebben over de overeenkomst van Tjon-a-Ten. Subsidiair was ook volgens mijn advocaat het ontslag weliswaar gegrond, maar bij inachtneming van alle omstandigheden zou primair mijn ontslag al ongegrond moeten zijn verklaard. Mij kon immers niet verweten worden dat ik niet had meegewerkt aan de bemiddelingspogingen. Ik had om die reden zelfs allerlei informatie verschaft, inclusief namen en adressen van mijn privé contacten. Anderzijds proefde ik ook dat de rechtbank mij eigenlijk in bescherming wilde nemen tegen het 'ziekmakende', wat het ook was, bij het GVB. Dat ik het daar tenslotte nogal angstaanjagend was gaan vinden had hij waarschijnlijk wel aan mijn gezicht gezien. Geestelijk ben ik niet kapot gegaan aan de hele zaak. Het is eerder andersom; ik ben er mentaal sterker van geworden. Bovendien: het leven biedt te veel goede dingen om die te laten bederven door te blijven kniezen over ellende die anderen je hebben bezorgd. Via het dat-gaan-we-even-regelen-circuit bij het GVB had ik misschien bij het bedrijf kunnen blijven, maar dan had ik bij deze en gene moeten gaan slijmen, en dat wilde ik niet. Daar kwam bij, dat intussen veel te mensen binnen en buiten het GVB met mij bezig waren; ik zag door de bomen het bos niet meer. En die mensen werkten ook nog eens flink langs elkaar heen. Tot slot was er dan nog dat beruchte briefje van Tjon A Ten; het zou altijd als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd blijven hangen
Uit respect voor de rechterlijke macht ga ik niet verder op de rechterlijke papierbundels in.
De vonnissen werden gewezen door: mr.T.L. de Vries, fungerend president, op 14 januari 1991 en 1 september 1993 in voorlopige voorziening; mrs M. van Mourik, voorzitter, en F.G. Bauduin en B.F. Barendse, rechters, op 6 maart 1995.
Waarom ben ik niet in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep gegaan? Simpel weg omdat de advocaat het niet wilde. In haar pleidooi begon ze al aan de rechter te vertellen dat de zaak kende een lange geschiedenis en is te ingewikkeld.
Enkele ex-collega's zag ik later nog wel eens bij toeval in de buurt van mijn huis. Van een paar metrobestuurders hoorde ik: "Eindelijk heeft het recht gezegevierd." Een andere ex-collega ontmoette ik in de metro. "Ik vind je zielig," voegde hij mij toe. Johan van Staveren, een ploegchef bij de metro, zag ik enkele keren vanachter mijn raam in de straat waar ik woon naar boven kijken. Ook had ik eens een optreden voor de deur van zijn huis tijdens een jaarwisselingsfeest. Wim Boers met vrouw en kinderen sprak ik nog eens op het plein. Toen Boelandt mij eens een keer dreigde tegen te komen wist hij niet waar hij zo snel naartoe moest. Bernard Kuyt stond een keer naast me in de metro; hij deed alsof hij me niet zag. John Tjon A Ten liep ik tegen het lijf op het Kwakoe Festival, waar ik in de Antilliaanse tent een optreden had. "Ja, je moet uitkijken met wat je ondertekent," was het enige dat hij tegen me zei. Vreede zag ik nog eens toen ze met een bos bloemen in de hand over het Bijlmerplein liep. Over De Beer hoorde ik dat het hele gedoe bij hem tot een hartaanval had geleid. Soms zie ik ambtenaren van het stadsdeel Zuidoost met wie ik te maken heb gehad. We groeten elkaar altijd vriendelijk. Mijn juridisch dossier bleef nog enige jaren berusten bij mr. Van Diepen; daarna lag het bij mr. R. Janse van Mantgem. Zouden er nieuwe feiten boven water komen, dan zou het heropend kunnen worden. Maar nieuwe feiten konden alleen maar worden aangedragen door Tjon A Ten, Kuyt of Vreede. En die zwegen verder als het graf. Mijn dossier bij het GVB werd uitgedund en opgeschoond; het rapport van de vertrouwenscommissie over de discriminatie werd vernietigd. Wat overbleef ligt nu in het Gemeentearchief te rotten.

Naar Inhoud