Hoofdstuk 15
Het verzoek
Medio 2003 besloot ik tijd vrij te maken voor een aantal privé-zaken die ik jaren had laten liggen, maar die me nog altijd bezighielden. Ik was lekker doende geweest met allerlei buurtgerichte activiteiten en met mijn hobby: zingen. Niet door het behept zijn met eigenschappen van geest en gemoed. Maar ik had mijn twijfels. Die privé-zaken bleven me dwars zitten maar als ik ze zou gaan oprakelen zou het over insinuaties, geruchten, provocaties en discriminatie gaan. En had ik daar eigenlijk wel zin in? Ik zou het dan onder meer moeten hebben over vormen van racisme en vernedering die zich nog steeds voordeden in de tolerante stad Amsterdam. Het zou vervelend worden – maar de hele toestand was ook al lang vervelend geweest voor míj.
Derhalve besloot ik in mijn dossier te duiken – een dik dossier intussen – en de waarheid te vertellen. Want tien jaar nadat ik door de gemeente Amsterdam als gemeenteambtenaar was ontslagen werden daarover nog steeds verhalen verteld door mensen die niet van de hoed en de rand wisten. Het waren buurtroddels en insinuaties. Maar feiten, ho maar! Waarbij ik af en toe moest denken dat die feiten voor sommigen misschien wat pijnlijk waren. Want was ik eens op tv, of ik kon mijn stem laten horen over de radio of in een krant, dan dreigde men – gezien de reacties die mij bereikten - bij het Amsterdamse GVB steevast een rolberoerte te krijgen. Ik was blijkbaar nog steeds een vervelende horzel, waar men voor weg wilde duiken.
Ik zat daar niet mee. Had het GVB mij maar fatsoenlijker moeten behandelen. En hadden werknemers van het bedrijf zich maar niet moeten schuldig maken aan een regelrechte overtreding van de Nederlandse wet, zijnde het openlijk discrimineren van een zwarte homofiele collega.
Ze zijn er niet voor veroordeeld – zo ver is het niet gekomen. Maar dat staat los van de morele onrechtvaardigheid van mijn ontslag uit de gemeentelijke dienst. Waar dan nog iets aan vast zit: bij sollicitaties voor een nieuwe baan komt het gegeven steevast terug: het GVB heeft je ontslagen. Hoe kun je een personeelsfunctionaris ervan overtuigen dat dit ontslag niets te maken had met je werk, maar met discriminatie door je collega’s – waar de leiding van het GVB voor zwichtte? Het leven kan ironisch zijn, met dat gegeven heb ik intussen leren leven.
Aan de constatering van de ombudsvrouw van het GVB, dat de manier waarop ik behandeld was ‘niet behoorlijk’ was, had ik niet veel. Want het was intussen meer dan duidelijk dat het Amsterdamse GVB bij voorkeur geen zwarte homo’s in uniform in dienst wilde hebben. En ook de diverse rechters bij wie ik aanklopte lieten mij vallen. De burgemeester dan – toch een fatsoenlijk ogend man. Dus wendde ik mij tot hem. Nee meneer, liet de gemeente Amsterdam mij – per brief van 15 juli 2004 - weten: ‘Een ontslagbesluit wordt genomen door het college van burgemeester en wethouders. Een dergelijk besluit kan dan ook alleen door het college herzien worden. De burgemeester is derhalve niet bevoegd om over uw kwestie te oordelen.’ Conform artikel 4:6 van de algemene wet bestuursrecht had ik geen zaak – een beroep op Job Cohen, burgemeester van alle Amsterdammers, had geen zin.
Geen zin? Cohen, als burgemeester, mag zich met van alles en nog wat bemoeien wat zijn stad betreft – bestuursrecht of geen bestuursrecht. En hij doet dat ook. Dat zijn stem in een bepaald geval al dan niet doorslaggevend is doet daar niets aan af. Maar in het probleem van de zwarte homo – afgeserveerd door zijn collega’s bij Cohens GVB én de leiding van dat gemeentebedrijf – wenst Cohen zich kennelijk niet te verdiepen.
Misschien ben ik niet zo’n gemakkelijk mens. Maar ik ben wel een aardig mens. Ik zal nooit en te nimmer de confrontatie zoeken. Maar ik ben nu eenmaal wie ik ben. En sommige mensen – domme mensen – hebben daar kennelijk hun problemen mee. Zulke mensen werken ook bij het GVB – en de leiding van dat overheidsbedrijf houdt hen de hand boven het hoofd.
Juridisch gezien kan het termijn voor vorderingen waardeerbaar op o.a. geld verlopen zijn, maar de ten grondslag gelegen, daad, aktie niet.
Ten einde raad besloot ik mijn hele verhaal dan maar op papier te zetten. Van begin tot eind, met alle vervelende aspecten die erbij horen. Na enig nadenken heb ik mijn manuscript de titel gegeven: ‘Hoezo, discriminatie?’ En ja, dan komt het moment waarop je een uitgever moet zoeken voor zo’n boekje. En dan, zo is intussen mijn ervaring, laat de Amsterdamse uitgeverij het afweten: ‘Het betreft niet de kwaliteit van uw verhaal – het is prima verteld – maar we zien er toch maar van af.’
Waar zijn de tijden dat in Amsterdam nog eens een ‘pamflet’ werd uitgegeven? Uitgevers van lang geleden durfden het aan. Die dagen zijn kennelijk voorbij. Mij rest dus niets anders dan te zeggen: uitgevers, het is allemaal wáár wat ik heb opgeschreven. En het is schrijnend. En het speelt zich af in jullie stad. Wil je er je kop voor in het zand steken, zoals het Amsterdamse gemeentebestuur doet? Dan ben ik uitgepraat – hoewel nog niet helemaal.
Noot: Wetboek van Strafrecht, TITEL XVII, Schending van geheimen, Artikel 273, lid 2, Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.
Om redenen van privacy worden een aantal mensen niet opgevoerd onder hun eigen naam; zij hebben een pseudoniem gekregen.
Dat ik dit met open geest kon schrijven is te danken aan artikel 7 van de Grondwet voor het KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, Vrijheid van meningsuiting.