Met ingang van 18 april 1988 op arbeidscontract in dienst getreden bij het gemeentevervoerbedrijf Amsterdam.
Op 18 januari 1989 bij wijze van proef in tijdelijk dienst aangesteld als wagenbegeleider (kaartcontrleur) bij de metro.
Indiening klacht: 19 juli 1989 inzake discriminerend gedrag op grond van beweerde homosexuele geaardheid tijdens de diensttijd sinds november 1988.
Bespreking bezwaarschrift: gespreksverslag d.d. 25-07-1989 n.a.v. het resultaat eerste personeelsbeoordeling, waarin de heer Both stelt dat het zeer moeilijk is om zo'n grote groep mensen om te turnen.
Op 17 oktober 1989 uitspraak van de Vertrouwenscommissie inzake mijn klacht over discriminatie op grond van geaardheid.
De bedrijfsarts heeft per schrijven d.d. 25 oktober 1989 de bedrijfsleiding van de metro geadviseerd om me per onmiddellijk over te plaatsen naar een ander rayon.
16 november 1989 ontslagbrief.
Op 16 december 1989 overgeplaatst naar het rayon Havenstraat.
Per 1 januari 1990 ontslagen uit dienst van de gemeente.
Dienstverband op 8 januari 1990 met één jaar verlengd bij wijze van proef vanaf 1 januari 1990
in de betrekking van Leerling-personenvervoerder.
Op 22 februari 1990 werd vastgelegd in een verslag dat vanwege mijn gedrag ben ik niet meer welkom.
Memo gedateerd 10 april 1990 van de bedrijfsmaatschappelijk werkster waarin zij verwijst naar het ontstane probleem rond de discriminatie en het beloofde tramrijopleiding.
Op 8 oktober 1990 geslaagd voor het bewijs van rijvaardigheid.
In de tweede beoordeling van 9 oktober 1990 kom ik in aanmerking voor aanstelling
in vaste dienst per 1 januari 1991 in de functie van leerling-personenvervoerder.
De functie in tijdelijke dienst bij wijze van proef is per 10 oktober 1990 gewijzigd in aspirant-personenvervoerder.
Per brief d.d. 26 november 1990 is aan mij medegedeeld dat ingaande 1 januari 1991 mijn dienst verband bij het G.V.B. zou het eindigen
en dat ik niet voor een vaste aanstelling in aanmerking kwam.
November/december 1990 heeft het G.V.B. een psychologisch advies over mij aangevraagd.
Een eerste gesprek met de psycholoog heeft op 18 december 1990 plaatsgevonden.
Op 28 december 1990 van de heer Tjon-A-Ten te horen gekregen dat ik met ingang van
1 januari 1991 een arbeidscontract krijg aangeboden.
Arbeidsovereenkomst (d.d. januari 1991) voor 6 maanden met ingang van 1 januari 1991 tewerkgesteld als bureau-ambtenaar C.
Mijn beroep tegen het ontslagbesluit is op 11 januari 1991 door de rechtbank behandeld.
Op 14 januari 1991 deed de rechter uitspraak en bepaalde dat vanaf 21 januari 1991
diende ik ik in de gelegenheid worden gesteld om mijn werkzaamheden als
aspirant-personenvervoerder te kunnen verrichten.
Rechtelijke niet gedagtekend uitspraak verzonden op 14 januari 1991.
De psychologische test is op 14 januari 1991 afgenomen.
15 januari 1991 telefonisch contact tussen mr. Koot en de rechtbank over de rechtspraak.
Gedagtekend uitspraak met datum 14 januari 1991 verstuurd op 16 januari 1991.
In opdracht van de hoofdpersoneelszaken uniform ingeleverd op 21 januari 1991.
Op 30 januari 1991 bracht de psycholoog verslag uit aan het G.V.B. en basis daarvan
werd een ongedateerd studieovereenkomst met de heer Tjon-A-Ten opgesteld.
Tussen 29 januari 1991 tot 29 februari 1991 werden er 12 werkdagendelen herinstructie
ingelast zonder uniform.
Op 8 maart 1991 in vaste dienst aangesteld als aspirant-personenvervoerder met ingang van 1 januari 1991.
Einde traject personenvervoeder.
Aanvang bemiddeling door het Keerpuntbemiddelingsteam van het GVB op 1 maart 1991 zonder RAPstatus.
Juni 1991 cursus basiskennis boekhouden gevolgd.
Brief van de Studiecentrum over het gevolgde privé-lessen, de nieuwe cursus en examen mogelijkheden.
Bevestiging 15 november 1991 omtrent detachering naar de afdeling bedrijfsadministratie van de Centrale Technische Dienst met ingang van maandag 18 november 1991 t/m 31 mei 1992 om praktijk ervaring te doen in het kader van de cursus praktijkdiploma boekhouden.
Brief 2 december 1991 waarin ik werd toegestaan om tot nader orde niet op mijn werkplek te verschijnen, omdat het gemaakte afspraak van 15 november 1991 niet uitvoerbaar was.
Per brief gedateerd 23 april 1992 gaf Wim Boelandt aan akkoord te gaan met verlening van de termijn, die met de heer Tjon A Ten is afgesproken inzake de beëindiging van mijn dienstverband.
Januari 1993 stage plaats in het stadsdeel Zuidoost.
Brief van mevrouw Schouten gedateerd 21 januari 1993 waarin zij stelt dat het bemiddelen geen vrijblijvende
situatie is, het hoort bij de afspraken voortvloeiende uit het gesprek met de heer Tjon- A Ten.
11 juni 1993 ontslagbrief.
14 augustus 1993 ontslag voor de derde keer uit de gemeente dienst.
Verklaring van Gerda Schouten aan de rechter gedateerd 17 augustus 1993.
1 september 1993 in de voorlopige voorziening werd het besluit gegrond verklaard.
Brief van gemeente Amsterdam gedateerd 4 november 1993 omtrent de RAPstatus die ik nooit had en ook niet kon verkrijgen.
Gespreksverslag van 29 juli 1994 waarbij afgesproken dat het verleden voor de bemiddeling buiten beschouwing zal blijven en zeker niet uitgedragen worden naar ontvangende instanties.
6 maart 1995 werd onherroeplijk op het ontslagbesluit beslist en gegrond verklaart.
In 2004 hebben de Commissie Gelijke Behandeling, de rechtbank en
de Burgemeester van Amsterdam zich onbevoegd verklaard om deze kwestie in behandeling te nemen omdat
het gestelde heeft betrekking op de periode voor inwerkingtreding van de Wet gelijkebehandeling respectievelijk
de feiten waren al bekend voor 6 maart 1995 en het College van Burgemeester en Wethouders
beschikt over de bevoegdheid om de kwestie in behandeling te nemen.