Er was nog meer aan de hand. Vanuit ploeg 7 had men laten weten dat mijn ploeggenoten er moeite mee hadden dat ik steeds met mijn neus in de boeken zat. De mogelijkheid om jezelf te ontwikkelen was een van de Rechten van de Mens, bracht ik te berde. "Wat Rechten van de Mens?" zei Ger Verdam. "Wij hebben óók rechten." Daarmee bedoelde hij, dat naar zijn gevoel hij en zijn collega's te weinig rechtsbescherming kregen. Met andere woorden: het was ook voor de opsporingambtenaar oppassen.
Dat collega Yvonne Waalders mijn studie uit-de-hoogte-doenerij vond, was voor mij niet nieuw. Eerder al kwam ze met haar Surinaamse vriend op het station en deden ze beiden pogingen om bladzijden uit mijn wettenbundel te scheuren. Ik kon het voorkomen door voor de boeken te gaan staan en deze snel in een tas te stoppen. Er was sprake van dat de ploegchefs het Wetboek van Strafrecht in hun kantoor wilden hebben. Toen ik dat hoorde maakte ik nog een cynische opmerking: "Wat mij betreft kunnen ze een heel juridisch archief opzetten in dat kantoortje."
Na zijn lovende brief van twee maanden geleden schreef de ploegchef nu aan de chef Wagenbegeleiders, Jan Groen: "Begrip en acceptatie voor het standpunt van collega's, inzicht en aanpassingsvermogen is niet voldoende aanwezig. Doordat de heer Anthony blijft volharden in zijn gedrag, blijken de problemen grotendeels bij hemzelf te liggen."
Een draai van 180 graden.
Het begon mij duidelijk te worden waar de schoen wrong. Ik proefde jaloersheid. Maar mijn seksuele geaardheid bleef de grootste rol spelen. Daar werden allerlei opmerkingen over gemaakt. Ook vond ik in mijn postvak een erotische foto van een paar mannen met een erectie. Iemand had erop geschreven: "Welke wil je hebben?" Ik heb de foto bij de chef van dienst ingeleverd.
Van de ploegchef, De Beer, kon ik geen hoogte krijgen. De ene keer deed hij normaal tegen me, de andere keer deed hij alsof hij partij koos voor de Verdam en de zijnen. Enkele dagen na het gesprek op Bullewijk kreeg ik weer een waarnemingsbriefje. Motivatie, behandeling van plaatsbewijzen, houding ten aanzien van passagiers, houding tegenover collega's, uiterlijk en kleding; alles was weer voldoende. Ondanks de zo nu en dan gemaakte ongepaste opmerkingen leek het erop dat de rust was weergekeerd. Na de zware decembermaand voelde ik me in het begin van het nieuwe jaar opgelucht. Bijna iedereen deed vriendelijk. Of léék men alleen maar vriendelijk te doen..?
In ieder geval vond ik dat de draad weer opgepakt moest worden. Ik belde naar de rayon medezeggenschapscommissie (RMC) van de vakbond om de verkiezing van een ploegenvertegenwoordiger te organiseren. Die werd op 9 januari 1989 gehouden. Bij de stemming werd Verdam als ploegenvertegenwoordiger en secretaris van het werkoverleg gekozen en ik als reserve-ploegenvertegenwoordiger. Daarmee was ook voor ploeg 3 het reglementaire werkoverleg nieuw leven ingeblazen..
De hele maand januari ging het goed. Ook tussen Verdam en mij. Totdat ik begin februari ingedeeld werd met Waalders. Zij had er nog steeds moeite mee dat ik bezig was met een studie. Het werk werd op een gegeven moment weer eens onderbroken om naar binnen te gaan voor een gesprek. Enkel en alleen omdat ik een keer naar het toilet moest, waardoor een metrotrein gemist was. Zelfs wanneer ik op mijn mobieltje met iemand belde vond Waalders dat irritant. Ze voelde zich dan door mij genegeerd, zei ze. Ik probeerde haar uit te leggen dat wanneer zij met anderen over hun kinderen stond te praten ik me óók niet genegeerd voelde. Maar het gemekker bleef maar doorgaan. Een rapportje omdat ik even op de ambtenaren-mondfluit had geblazen; een rapportje omdat ik het eens te vol vond in de wagons om te kunnen controleren; een memo omdat ik een overwerkdeclaratieformulier had ingevuld voor een Allochtonenoverleg dat achteraf niet onder de definitie van dat overleg bleek te vallen; een memo over het feit dat Waalders niet "op code" wilde omdat ze bang ze was dat ik haar zou aanranden; een memo omdat ik volgens haar een zwakzinnige gepardonneerd zou hebben.
Waalders was zó dom dat ze niet eens wist hoe ze haar instructies moest uitvoeren. En vóór we "op code" gingen begon ze al een keer te roepen dat ik haar zou gaan aanranden. De ploegchef kwam er haastig bij en zei: "Die zaak is voorbij. Je moet dit gewoon doen." Zij beweerde dat er nog iemand was die er hetzelfde over dacht. Maar niemand meldde zich.
Er gingen ook geruchten dat er flink geneukt zou worden in de ruimtes onder het metrostation op het Weesperplein. We zijn daar een keer op onderzoek geweest, maar konden er geen sporen van vinden. En om met Yvonne "op code" ongewenste intimiteiten te gaan hebben? Nou, nee. Als ze dat tenminste bedoelde.
De laatste maanden had ik alles gedaan om de gespannen situatie, die al veel te lang duurde, uit de wereld te helpen. Ik had nog een aantal hulpverleners binnen het bedrijf benaderd, maar dat baatte niet veel. Voor mij was de maat inmiddels vol en ik diende bij de vertrouwensvrouw een verzoek in om mijn zaak officieel te onderzoeken. Het hele gedoe begon intussen meer en meer zijn weerslag te krijgen in mijn beoordelingen. Ik werd daarin afgeschilderd als iemand die niet met anderen kon omgaan.
In maart 1989 had ik, vooruitlopend op de boordeling in mei, een functioneringsgesprek. In het verslag daarover waren de gebeurtenissen van de afgelopen maanden duidelijk terug te vinden. Maar voor mij werd het allemaal ónduidelijker en het werd mij ook te veel. Na afloop zette ik dan ook maar mijn handtekening onder het betrokken formulier. Let wel: "voor gezien". Dat was wat ik ermee bedoelde. Later schreef sectorchef Jan Groen dat hij het onbegrijpelijk vond dat ik, die toch rechten studeerde, zonder enig nadenken of nalezen een verslag tekende "voor akkoord". Hij vergat dat we tijdens het functioneringsgesprek vooral gesproken hadden over oorzaken en niet zozeer over feiten. "Dat er eveneens aan de oorzaken gewerkt zal moeten worden is duidelijk." Dat stond er en dáár ging het over.
"Maar de feiten blijven," was achteraf de stelling van Groen. Terwijl ik in alle vertrouwen mijn handtekening op dat papiertje had gezet in de veronderstelling dat alles wel in orde zou komen.
Het was een sluwe zet van de sectorchef. Ondertekenen van het formulier hield volgens hem in dat je akkoord ging met wat er stond. Anders gezegd: het was voor mij slikken of stikken. Zo kon je dus iemand dwingen om zijn eigen vonnis te tekenen! Het was Groen kennelijk niet duidelijk dat als de omstandigheden niet veranderden ook de feiten niet zouden veranderen. Daar kwam nog bij dat niemand van de vakbondsleden in de medezeggenschapscommissie genoeg kennis van zaken had op het gebied van arbeidsconflicten. Ze zaten bovendien allemaal lekker in het zadel en hadden geen zin hun vingers te branden aan de kwestie.
De volgende beoordeling zou in ergens in oktober zijn en was bepalend voor mijn vaste aanstelling bij het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. Uiteindelijk ging het wel om mijn baan, mijn broodwinning. Die kon ik me niet zo maar laten afnemen. Maar zoals het er nu uitzag maakte ik weinig kans om in oktober een bétere beoordeling te krijgen. Dat zou alleen mogelijk zijn wanneer iedereen bereid was om wat water bij de wijn te doen.
Het Allochtonenoverleg was er toch om de belangen van allochtonen te behartigen? Dus ik daar naartoe. Er werd een gesprek georganiseerd. Afgesproken werd dat de voorzitter van het Allochtonenoverleg Metro als toehoorder aanwezig zou zijn.
Van de zijde van de beoordelaars werd allereerst een toelichting gegeven op de omstandigheden die ertoe hadden geleid dat sommige aspecten van mijn functioneren met "voldoet nog niet aan de eisen" gewaardeerd waren. Ook de klachten van de collega's kwamen uitvoerig aan de orde. De zogeheten waarnemingsbriefjes bleken plotseling niet meer van belang te zijn. Het waren "momentopnamen uit de praktijk", zo werd gezegd. Ze hadden niet genoeg zwaarte om de uiteindelijke beoordeling te kunnen beïnvloeden. Maar uit de papieren van andere collega's viel duidelijk op te maken dat ik nog moeite had met de interpretatie van mijn taken. Degene die dat zo formuleerde was mijn "oude vriend" Ton, de personeelsadviseur annex selecteur van de metro.
De beoordelaars kwam het vreemd voor dat ik in tweede instantie alsnog schriftelijk had geageerd tegen de inhoud van het functioneringsgesprek, terwijl ik voor akkoord had getekend. Ik maakte de betrokkenen duidelijk dat ik "voor gezien" had bedoeld en niet "voor akkoord", maar dat dit laatste blijkbaar de enige mogelijkheid was. De conclusie was ten slotte dat de beoordeling die was neergelegd in het functioneringsverslag niet gewijzigd zou worden. Ik kreeg een week de tijd om schriftelijk beargumenteerde bezwaren in te dienen.