De volgende dag ging ik naar het kantoor van het Allochtonenoverleg in het Scheepvaarthuis, om te kijken hoe ze me daar konden helpen. Het kantoortje was naast dat van de centrale medezeggenschapscommissie, de CMC, en niet ver van dat van de vertrouwensvrouw. Het was niet de taak van de vertrouwensvrouw om in dit soort arbeidsconflicten te bemiddelen, dus had ik haar niet bij de zaak betrokken. Bovendien lag bij haar nog die klacht van mij, en die moest nog nader onderzocht worden. In het kantoor van het Allochtonenoverleg zat de coördinator al op mij te wachten. Het was Clay Voorland, een man van Antilliaanse afkomst die al jaren werkzaam was bij het GVB. Ik vertelde hem wat er aan de hand was en liet hem een paar brieven zien die ik bij me had. Zijn reactie was furieus. Hij greep de telefoon en belde de chef Wagenbegeleiders. Wat volgde was een stevige telefonische woordenwisseling.
De chef WBL kreeg te horen dat de tijd van racisme en discriminatie voorbij was: "Het is afgelopen. Basta!" Ik wist niet wat ik hoorde! De coördinator Allochtonenoverleg GVB ramde vervolgens een brief voor mij in elkaar: een beroepsschrift tegen de beoordeling. De brief stond bol van termen als "ik protesteer scherp", "ik bestrijd" en "ik eis". Ik ondertekende hem maar weer. Had ik iets te verliezen?
Maar de leiding van de metro ging niet akkoord met dit bezwaar. Ik kreeg te horen dat ik zelf een brief moest opstellen. Dat deed ik en op 25 juli 1989 werd deze brief besproken. Ik liet me bijstaan door een lid van de medezeggenschapscommissie. Maar meer dan de opmerking "bij dit bedrijf kunnen ze je maken en breken" leverde deze hulp niet op. Wel begon het mij meer en meer duidelijk te worden dat mijn vermoedens juist waren: dat men het speciaal op mij had gemunt, dat er wel degelijk sprake was van bepaalde vormen van discriminatie en dat de leiding mij - die in feite het slachtoffer van die discriminatie was - hoe dan ook tot zondebok wilde maken. Maar ja, in de beoordeling werden die zaken heel ánders geïnterpreteerd.
De beoordelaars constateerden echter wel "dat er iets aan de hand was". En dat werd ook schriftelijk vastgelegd. Waren ze objectief geweest, dan hadden ze niet alleen over de feiten gerept, maar ook over de oorzaken daarvan. Maar dat deden ze niet - en dat was jammer. Want we hadden eigenlijk dezelfde mening over wat er gaande was, maar konden het niet eens worden over wat daartegen gedaan moest worden.
Volgens de bedrijfsleiding konden we niet tot een oplossing komen omdat ik "de problemen nog niet geheel tot op de oorzaak begreep". Zat het allemaal dan zo diep bij mij, dat ik er zelf niet de vinger op kon leggen? Het was prematuur, vond de bedrijfsleiding, om het beestje nu al bij de naam te noemen. Er moest bijvoorbeeld nog gewacht worden op de uitspraak van de vertrouwenscommissie. Nu zo maar dingen gaan roepen, zonder te wachten op de uitslag van de procedures die er voor dit soort zaken waren, zou alles alleen maar erger maken.
De leiding verzekerde me dat serieus met argumenten en signalen zou worden omgegaan. Maar alle gesprekken, ook in de groep, zetten ten slotte geen zoden aan de dijk. Ook al omdat de leiding de gang van zaken tijdens deze gesprekken bepaalde. Waren er steekhoudende argumenten van mijn kant, dan was er ineens een "mindere mate van aandacht". De leiding werd daarop meer dan eens geattendeerd, onder meer door Maureen Vreede, de vertrouwensvrouw. De beoordelaars wezen er echter op, dat de door mij gegeven voorbeelden van dingen die zich hadden afgespeeld juist een bevestiging waren van het feit dat er sprake was van een "relatieconflict" dat uit de hand dreigde te lopen.
Maar ten slotte moest door de leiding van het GVB toch een realiteit erkend worden - hoewel dat gebeurde met enige tegenzin. Want men moest zich in het Scheepvaarthuis afvragen: wie zit erop te wachten beticht te worden van racisme en discriminatie? Want achterstelling in beroep of bedrijf, onder andere wegens ras, is volgens artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht onwettig. Daarbij gaat het om overtredingen betreffende de openbare orde, in samenhang met nog enige andere wetten en internationale verdragen.
Er zat voor de leiding van het GVB dus niets anders op: er moest zo snel mogelijk naar passende oplossingen worden gezocht. Omdat diverse chefs en ook de chef WBL met vakantie waren werd besloten mij vooralsnog alleen te belasten met stationsdiensten. Men hoopte zo escalatie van de zaak te voorkomen. Een chef die wél nog in huis was zei me nog maar eens dat het moeilijk was "een grote groep mensen om te turnen".
Intussen bleef er verschil van mening bestaan over de interpretatie van de geconstateerde feiten. En met steeds meer nadruk werd vastgesteld dat sprake was van een "ernstig verstoorde arbeidsverhouding". De negatieve beoordeling over mij bleef ongewijzigd; de beoordelaars volhardden in hun ingenomen standpunten.
En ik, van mijn kant, bleef die beoordeling aanvechten.
Begin juli bracht ik de ploegchef en de chef VIC er schriftelijk van op de hoogte dat ondanks alle gesprekken in en met de ploeg de problemen bleven toenemen.
Dat liep dermate uit de hand dat de ene collega de andere probeerde over te halen om tegen mij een "blokkade" te vormen. Nieuwe collega's werden daarover op hun eerste dag al getipt. Een van die nieuwkomers werd op een gegeven moment door de vertrouwenscommissie als getuige gehoord. Hij had zich niet in de kwestie moeten mengen, kreeg hij te horen. Een ander vond het allemaal te veel van het goede en liet de vertrouwensvrouw weten dat tijdens een ziekenbezoek bij hem door de ploegchef en collega Verdam alleen maar gesproken was over de problemen die zogenaamd door de figuur Anthony veroorzaakt werden. De ploegchef zou toen onder meer gezegd hebben dat hij beschikte over vertrouwelijke gegevens over mij, die eventueel gebruikt zouden kunnen worden om sancties tegen mij te nemen.
Maar een andere collega schreef een verklaring waarin stond dat er niets mankeerde aan mijn houding in de metro en mijn manier van benaderen van passagiers. En ze durfde het zelfs aan om de nodige vraagtekens te zetten bij het optreden van sommige van haar collega's.
De problemen beperkten zich niet alleen tot de werkvloer. Verdam was zo brutaal om op een keer 's ochtends vroeg bij mij voor de deur te gaan staan wachten. Nou ja, dan zouden we maar samen naar het werk gaan. Maar vreemd was dat wel. Want hij woonde in de G-buurt van de Bijlmer en ik helemaal aan de andere kant. Om thuis te komen moest hij de metro richting Gaasperplas nemen, en ik de metro richting Gein. De tijd om bij mij voor de deur te gaan staan zou hij beter hebben kunnen gebruiken om eerder op het werk te zijn. Enfin, we zijn toen toch maar samen naar het GVB gegaan. Daar vertelde ik het aan een collega en vervolgens deed dat als een lopend vuurtje de ronde. Het verhaal ging zelfs, dat Verdam toen een hele nacht met mij had doorgebracht. Grote nonsens natuurlijk, maar het gevolg was wel dat door deze roddel een poging om rust en vrede in te groep terug te brengen kapot werd gemaakt door een stelletje collega's dat gewoon op sensatie uit was.
Op zich maakte het voor mij allemaal weinig uit. Het bevestigde alleen nog maar eens dat ik redenen genoeg had gehad om een jaar eerder de vertrouwensvrouw erbij te halen. Zij was van alles op de hoogte en toch escaleerden de zaken. Om die reden had ik er enkele dagen voor het beoordelingsgesprek van 25 juli dus opnieuw de vertrouwenscommissie bijgehaald; ditmaal met een officiële klacht.