Het moment waarop ik de klacht indiende was het juiste. Ik was nu immers aan mijn laatste beoordeling toe. Die zou bepalend zijn voor een vaste aanstelling bij de gemeente Amsterdam. De toestanden waarmee ik te maken had konden alleen maar een negatieve invloed hebben op die beoordeling. Men had mijn klacht kunnen zien aankomen. Want meer dan eens had ik gezegd dat ik "tot aan de oever" zou meegaan met de spelletjes die men speelde, maar niet verder. Dan zou er een moment komen waarop men met de neus in de modder zou vallen.
De strijd om gerechtigdheid was begonnen.
In verband met vakantie van de voorzitter kwam de vertrouwenscommissie pas in augustus aan de behandeling van mijn klacht toe. Daarvoor had de commissie echter nauwkeurige gegevens nodig. Welke personen hadden op welke data welke woorden of gebaren gebruikt? Welke personen waren daarvan getuige geweest? De vertrouwensvrouw ondersteunde mijn klacht inzake discriminatie op basis van "vermeende" seksuele geaardheid. Er waren haar bovendien nog wat dingen bekend die zij graag mondeling wilde toelichten. Echter, zij zou tot eind augustus afwezig zijn in verband met vakantie, zo schreef de voorzitter van de commissie me. Hij vroeg ook of ik op haar wilde wachten, en of ik dat even met hem kon bespreken. En dat deed ik ook. Van de vertrouwensvrouw zelf had ik niets gehoord. Ik wist dus niet dat ze wilde dat ik zou wachten tot ze terug was van vakantie. Toen ze weer aanwezig was vertelde ik haar dat ik bij de voorzitter was geweest. Zij werd woedend en zei dat ik achter haar rug dingen aan het regelen was en dat ik haar daarbij gebruikte.
Maar een cliënt laat je toch niet zomaar in de steek? Het zou beter zijn geweest als ze mij een briefje had gestuurd of ten minste gebeld zou hebben om te zeggen dat ze een paar dagen met vakantie zou gaan. Dat stond niet eens op haar antwoordapparaat. En dan ook nog een grote mond opzetten. De stoere en zelfverzekerde Maureen Vreede begon plotseling een andere taal te spreken.
Inmiddels liet ik het Allochtonenoverleg voor wat het was. Ik kwam daar namelijk niet verder. Het kantoortje begon vol te lopen met allochtonen die dachten dat er wellicht iets te halen viel. En voor mij kon men in feite niets doen. Bovendien wilde men zich alleen inzetten voor zwarte hoog opgeleide mensen. Maar intussen stond Clay Voorland, coördinator van het Allochtonenoverleg, wel te popelen om zich te mengen in mijn klachtenprocedure. Daarnaast was de kans niet gering dat anderen in hun eigen belang misbruik zouden maken van mijn situatie. Iemand van de leiding had mij over de vertrouwensvrouw al eens gezegd: "Kijk maar uit dat zij je niet gaat gebruiken om er zelf beter van de te worden." Dat was niet zo'n vreemde uitspraak. Zij was immers aangesteld om na te gaan of er mogelijk sprake was van racisme en discriminatie bij het GVB en hoe vreemd het ook mag klinken, het was in haar voordeel wanneer zij kon aantonen dat dit inderdaad het geval was. Maar ze had er waarschijnlijk niet op gerekend dat ze nog eens met discriminatie van een homo te maken zou krijgen.
Gedurende de periode waarin ik werd gepest en getreiterd heb ik niet één allochtoon gezien of gehoord, die het lef had om tegen de autochtone collega's te zeggen dat ze verkeerd bezig waren. "Niets gezien, niets gehoord, niets gezegd." Ze hielden allemaal hun mond. Ze wisten van niets. Er waren twee Antilliaanse VIC'ers. Ze zochten dekking bij de autochtone vrouwelijke collega's. Het was een mierennest; daar kon je maar beter van afblijven, zei een van hen tegen me. De schrik zat er dus goed in. Maar blijkbaar drong tot niemand door hoe gevoelig deze zaak voor mij lag. Het sneed diep in mijn privé sfeer. Zó diep, dat ik er buiten het GVB niet eens over durfde te praten. Maar daarnaast ging het ook nog steeds om mijn baan. Dat was belangrijker dan een paar collega's die zich ten koste van mij wilden vermaken. Het was echter een tijd vol spanning en stress.
Aan opmerkingen als "ik heb een Turkse vriend" of "mijn buurtman is een Marokkaan" of "in een ander rayon hebben ze al een witte homo" had ik niets. Van dergelijke aanstellerigheden kon ik geen brood kopen. Het ging om mij! Niet om de Martin Luther King of de zwarte homo van het GVB.
Hoe dichter de dag van de zitting van de vertrouwenscommissie naderbij kwam, hoe hoger de spanningen opliepen. Van de vertrouwensvrouw had ik begrepen dat zij werd bedreigd. En haar telefoon deed raar. Ook was er al eens geprobeerd in te breken in haar kantoor. Kamer 52 - zo werd haar kantoor genoemd. Mijn dossier was daar goed opgeborgen in een kluis. Dus als het op een gegeven moment zou verdwijnen, dan moest iemand de combinatie kennen - of men zou de hele kluis hebben moeten meenemen. Ik had wel eens mensen zien lopen op dat gangetje die zich wat verdacht gedroegen, maar ik had daar verder niets achter gezocht. De vertrouwensvrouw vertelde me trouwens dat de directie haar had verzocht mij te vragen "wat ik nou eigenlijk wilde". Dat vond ik wel wat vreemd, want het antwoord op die vraag konden ze gemakkelijk zelf bedenken: ik wilde gewoon een goede baan.
Eind augustus 1989 nam de vertrouwenscommissie mijn klacht tegen het gedrag van ploegchef De Beer en de collega's Verdam en Ferrier in behandeling. De eerste zitting was op 15 december. De aangeklaagde Verdam en twee getuigen werden uitgenodigd aanwezig te zijn. Op 3 oktober zou het onderzoek worden voortgezet.
Inmiddels naderde ook de datum van mijn personeelsbeoordeling. De hoop op een vaste aanstelling had ik al opgegeven, want de situatie was de laatste tijd eerder verslechterd dan verbeterd. En de mensen die de beoordeling moesten doen waren door één of meer collega's zodanig tegen mij opgehitst dat er geen sprake van kon zijn dat de situatie zich voor mij nog ten goede zou keren. Het zou me niet verbazen als bij de een of de ander ook de gedachte meespeelde dat het goed zou zijn om "die poot een keer te grazen te nemen". Karel van Zwol, een vriend van Inge van Daalen, kreeg - zo hoorde ik later - het verzoek mij in de gaten te houden. Na de uitspraak van de vertrouwenscommissie vroeg hij aan ploegchef De Beer of hij daar nog mee door moest gaan. Het was dat ondergrondse, dat onderhuidse, dat door de vertrouwenscommissie al dan niet moest worden vastgesteld.
Precies één dag voordat de vertrouwenscommissie uitspraak zou doen kreeg ik mijn beoordeling. De uitslag was zoals verwacht. Het hoofd Personeelszaken, de heer Schultz, was er ook bij, maar alles lag bij de beoordelaar. Die had de macht om te doen wat hij wilde. Zelf had ik geen enkele kaart in handen. Schultz bracht de beoordelaar op de hoogte van het feit dat er nog een klacht van mij liep. De beoordelaar wist daar niets van. "Wanneer heeft hij die ingediend?" vroeg hij. "Al een paar maanden geleden," was het antwoord. De beoordelaar werd daarop rood van woede. Hij kruiste het woordje "wel" op het beoordelingsformulier zó hard door dat hij een gaatje in het papier prikte. Ik schrok er, moet ik zeggen, behoorlijk van dat die man zo razend was.
Maar natuurlijk ook van het feit dat hier nu het papier voor me lag waar op stond dat ik niet in aanmerking kwam voor een aanstelling in vaste dienst. Het ontslagbrief waarin stond dat mijn aanstelling met ingang van 1 januari 1990, kwam op 16 november 1989.
Wat nu?