Hoofdstuk 8


Een nieuwe kans


Per 16 december 1989 werd ik overgeplaatst naar het rayon Havenstraat. Er waren daarover een aantal afspraken gemaakt. Gezien de moeilijke periode die ik bij de metro had gehad zou ik direct beginnen met een opleiding tot trambestuurder. En alleen het dossier van de afdeling Personeelszaken zou mee gaan naar de Havenstraat. Maar niets daarvan. Om te beginnen begonnen andere dossiers over mij, die op het Weesperplein lagen, ook in de Havenstraat op te duiken. In totaal bestonden er vier dossiers: één bij Personeelszaken, één bij de vertrouwensvrouw, een medisch dossier en een map in een kast op het Weesperplein. Het verleden begon me te achtervolgen. Het was iets dat men in het Scheepvaarthuis eigenlijk had moeten zien aankomen. Immers: de Havenstraat was niet blij met mijn overplaatsing. Die was door hogerhand opgelegd. Men vond dat de metro zijn problemen zelf moest oplossen en ze niet in de Havenstraat moest deponeren. Daarover ontstond discussie. Bovendien werd ik niet bij de rijopleiding geplaatst maar kwam ik weer bij de wagenbegeleiders terecht. Dat was tegen de afspraak. Desondanks ging het in het begin in de Havenstraat vrij goed. Het was voor mij een heel nieuwe en onbekende buurt; ik was daar zelden geweest. Maar wat ik er qua openbaar vervoer over moest weten werd me snel geleerd tijdens de opleiding tot kaartcontroleur. Het werk was afwisselender. Niet meer alleen de metro richting Gein of de metro naar Gaasperplas, maar verschillende trams en bussen, die diverse routes reden. Er waren ook meer zonegrenzen. Op donderdag 28 december werd door Joost Moerenhout, de ploegchef, wat mij betref een "waarneming" gedaan. Alles was voldoende, van kleding en uiterlijk tot en met motivatie. In de eerste week van januari zou ik te horen krijgen wanneer mijn rijopleiding zou beginnen. Dat was, zoals gezegd, de mondelinge afspraak. Maar in de Havenstraat wilde men mij liever bij de kaartcontrole houden. Toen ik de personeelschef in de Havenstraat, Wim Boelandt, daarover eens een vraag stelde kreeg ik een arrogant antwoord. "Laat ze maar komen," zei hij. Van afspraken die door "de metro" met mij gemaakt waren wilde hij niets weten. Hij bleek dat hij nog een gesprek met een mevrouw van Personeelszaken zou hebben. Daar wachtte hij nog op. Zelf wachtte ik niet: ik ging naar een advocaat, mr. Nicolette Koot van het kantoor Koot, Miedema en Prins Advocates. Zij zond Boelandt een brief. "Je vindt het in de Havenstraat plezierig werken, en nou stuur je een advocaat op me af!" was diens reactie. Rond dezelfde tijd bleken in de Havenstraat dossierstukken over mij van het Weesperplein te liggen, die eigenlijk bij de metro hadden moeten blijven. En toen was het opeens weer raak - begin februari. Ik had op een bepaald moment besloten om een passagier de gelegenheid te geven in de tram bij te stempelen. Voor de hele ploeg was dat aanleiding om naar binnen te gaan voor overleg. Het hoofd van de afdeling Wagenbegeleiders in de Havenstraat, Steef van Rijn, stelde tijdens dat gesprek dat een enkel geval van bijstempelen toch geen reden kon zijn voor het beleggen van een vergadering. Maar volgens de ploegchef was er meer aan de hand. De hele ploeg had hem gezegd dat ik vanwege mijn gedrag niet meer welkom was. Van Rijn liet me tijdens dit gesprek weten dat ik me goed moest realiseren dat ik in tijdelijke dienst was, en dat er in de loop van het jaar nog twee keer een beoordeling over me zou worden uitgebracht. Het werd me duidelijk dat de strategieën die men bij de metro had gebruikt naar de Havenstraat waren overgewaaid. Had men zin in een wat langere koffiepauze, dan wachtte men gewoon tot ik het een of ander deed waarover gediscussieerd kon worden. "We gaan naar binnen," heette het dan. Of de aanwezigheid van een Marokkaanse jongen, die vaak "op code" achter mij aan hobbelde, daarbij nog een rol heeft gespeeld, weet ik niet. In elk geval zou men dat nooit hardop zeggen. Bij de metro was het precies zo gegaan. Soms werd zelfs met opzet een conflict met een passagier uitgelokt. Men kon dan uren binnen blijven zitten in afwachting van de afhandeling van het geval. Want de dienst Ondersteunende Taken moest er dan bij komen en vaak ook de politie. Viel er geen verdacht uitziende passagier te pakken, dan was ik de pispaal. En dan ging de hele groep weer naar binnen voor een gesprek. Volgens mij hadden ze daar zelfs een code voor afgesproken, want soms hoorde ik ze fluisteren: "U-code." Dan ging er, zo wist ik, iets gebeuren. Ik wil niet beweren dat de VIC'ers tot op zekere hoogte optraden als informant van de justitie, maar je stuitte wel eens op een bijzonder geval. Tijdens de opleiding hadden we te horen gekregen hoe dan te handelen. Persoonlijk vond ik dat het opsporen van illegalen uit de Bijlmer niet tot de taken van de VIC hoorde. Het enige wat we moesten doen was de geldigheid van een vervoersbewijs controleren. Nagaan of iemand al dan niet een geldig identiteitsbewijs bij zich had lag in principe niet binnen onze competentie. We hadden daar ook de deskundigheid niet voor. Wanneer iemand die zonder kaart reed een naam opgaf en de controleur vertrouwde het niet moest hij Ondersteunende Taken erbij halen. Die had de mogelijkheden om uit te zoeken of er sprake was van het opgegeven van een valse naam. Als bleek dat het om een illegaal ging, dan mocht dat volgens mij alleen een kwestie van toeval zijn. Een klopjacht op illegalen uit de Bijlmer mocht het in elk geval nooit worden. En dan het geweld waarmee een en ander soms gepaard ging! Terwijl onze instructie daarover toch heel erg duidelijk was: "Wees terughoudend. Want wie weet wordt zo iemand door de politie in de gaten gehouden." Nou was dat vaststellen van een juiste identiteit soms ook niet gemakkelijk. Een controleur hield eens een meisje aan en vroeg: "Wat is uw naam?" Het kind zei alleen maar: "Geen geld." De controleur vond dat onbevredigend en ging in de stationsruimte met hulp van een telefoonboek op onderzoek uit. Hij draaide een nummer en kreeg te horen: "Met de familie Geengeld. Goede morgen." De controleur kreeg er een rooie kop van. Een ploegchef in de Havenstraat heette Ed Vergeer. Maar ik noemde hem meestal mister Ed. Het heeft lang geduurd voor hij erachter kwam dat ik daarmee eigenlijk het sprekende paard bedoelde. Mijn arbeidsverleden was anders dan dat van de collega VIC'ers. Voordat ik bij het GVB ging werken was ik in dienst geweest van een veel grote werkgever, Shell. Ik was eraan gewend op mijn werk actief bezig te zijn. De VIC'ers bij zowel de metro als de tram waren meestal jonge mensen die jaren van een uitkering hadden geleefd. Het VIC-project moest hen klaarstomen voor een reguliere baan op de arbeidsmarkt. Ze moesten veel leren en vooral werkervaring opdoen. Velen van hen konden echter absoluut niet omgaan met de opsporingsbevoegdheid die hen was toebedeeld. En soms leidde dat tot gevaarlijke situaties, situaties waarbij een verdachte passagier ook wel eens mishandeld werd. Ik wist één ding zeker: ik zou nooit liegen om een collega te dekken die zich daaraan schuldig had gemaakt. De chef Wagenbegeleiders in de Havenstraat, Steef van Rijn, vroeg mij op gegeven moment wat hij voor me kon doen. Ik zei dat ik het gesprek met de ploeg graag zou voortzetten, maar dan in aanwezigheid van de vertrouwensvrouw. Hij waarschuwde mij voor de risico's van zo'n gesprek. De ploeg of bepaalde leden ervan zouden zich wel eens als een gesloten blok tégen mij kunnen keren.

Naar Inhoud