Hoofdstuk 9


Geslaagd - en toch weer niet


William Anthony @ iTunes Medio februari liep de ploegchef tijdens een dienst mee om mij "waar te nemen". Hij zat bijna op mijn rug om maar goed over mijn schouder te kunnen kijken. En wat bleek? Van het ene moment op het andere deed ik ineens niets meer goed. Ik zou zelfs vergeten sommige reizigers te controleren. Er volgden meer "waarnemingen", en die werden almaar slechter. Het ging dus gewoon op de oude voet voort. De bedrijfsmaatschappelijk werkster, Karin Toonder, vond dat het geen zaak meer was voor vertrouwensvrouw Maureen Vreede en wilde het overnemen. "Maureen ziet overal discriminatie in," hoorde ik haar zeggen. Dat was dus al onderwerp van gesprek geweest. In een memo gedateerd 10 april1990 liet Toonder me weten: "Met mevrouw Vreede heb ik afgesproken dat zij verder contact met je houdt over je 'toekomst'. Ik heb begrepen dat je naar de tram wilt en dat dit jou ook beloofd is. Zij gaat hier verder achteraan. Succes." Met de beoordeling in mei 1990 begon ik er genoeg van te krijgen. Ik wierp een korte blik op de beoordelingslijst en zei tegen de ploegchef dat hij het hele zooitje maar naar het Scheepvaarthuis moest sturen. Daar werd me wat later gezegd dat ik meteen zou beginnen met de rijopleiding. De ploegchef probeerde me uit te leggen dat hij alleen maar opdrachten uitvoerde. "Ik moest een zo goed mogelijk beoordeling maken," zei hij. En dat gold alleen voor mij. Maar ik weigerde deze keer mijn handtekening onder de beoordeling te zetten. Kort daarna werd ik bij het hoofd van de afdeling Wagenbegeleiders geroepen, Steef van Rijn. Hij probeerde me wat die handtekening betreft tot andere gedachten te brengen. Ik bleef bij mijn standpunt. Van Rijn stuurde daarop een memo naar rayonmanager Frans Stuurman. "Ik heb," schreef hij, "de heer Anthony nogmaals verzocht de gemaakte beoordeling te ondertekenen. De houding die hij op dat moment aannam maakt het voor ons niet langer mogelijk om op een normale manier samen te werken. Er is slechts één zin die hij na iedere vraag van ons herhaalde: 'Ik weiger alles te tekenen.' Ik ben van mening dat wij nu alles hebben gedaan wat in ons vermogen ligt en wat men redelijkerwijs van ons mag en kan verwachten. Wij verzoeken dan ook om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan deze onmogelijke situatie." Een paar dagen later was personeelschef-HavenstraatWim Boelandt aan zet: "Op vrijdag 1 juni 1990 heb ik nogmaals aangedrongen bij de heer Anthony op ondertekening van het beoordelingsformulier," zo liet hij weten in een rapportje aan de GVB-leiding. "Ik heb hem daarbij gewezen op de officiële beroepsmogelijkheden zoals deze in het ARA worden aangegeven. De heer Anthony heeft enige bedenktijd gevraagd, waarna hij dezelfde dag nog aan de heer R. de Lange van de afdeling Kaartcontrole heeft verteld dat hij het formulier niet wenste te ondertekenen.'' Wat men ook deed, ik bleef weigeren dat formulier te tekenen. Want van de vorige keer wist ik wat ik me daarmee op de hals kon halen. De tactiek werkte. Op 5 juni 1990 kon ik starten ik met de rijopleiding. Het theoretisch gedeelte werd telkens verzorgd door weer een andere instructeur. Voor de praktijk van het rijden kreeg ik Piet van Straten als instructeur. Hij was een vlotte man die heel goed wist hoe hij met mensen moest omgaan. Blijkbaar had hij er ook plezier in, want op een gegeven moment bracht hij voor ieder van ons een pot met zelf ingelegde komkommers in azijn mee. Maar op een dag maakte hij een opmerking waar ik later nog wel eens aan terug moest denken. "Het is lastig," zei hij, "als anderen je dingen willen laten doen waar je zelf niet achter staat." In zijn eindrapportage over mij was alles goed en voldoende. "De heer Anthony heeft zich gemotiveerd ingezet tijdens de buitendienstwagenperiode," aldus Van Straten. "Wanneer hij zich op deze wijze blijft inzetten verwacht ik dat hij zijn opleiding met een positief resultaat kan afronden." En dat gebeurde ook. Ik slaagde voor beide type trams, het oude model en het nieuwe. Terwijl ik met de rijopleiding bezig was werd ik een keer opgeroepen door Gerard Swinkels van de personeelsafdeling in de Havenstraat. Hij wees me op een kennisgeving uit april 1990 aan allochtone personeelsleden. In het kader van een gemeentelijk project zou eind september / begin oktober een cursus "brede loopbaanoriëntatie" voor allochtoon GVB-personeel beginnen. Het doel van de cursus was allochtone medewerkers, die belangstelling hadden voor een andere baan, de nodige kennis en vaardigheden te verschaffen. Daardoor zouden ze in aanmerking kunnen komen voor andere functies binnen de gemeentelijke organisatie of zelfs daarbuiten. De cursus zou zes maanden duren. Ik vond het een goed idee om eraan mee te doen. Maar Swinkels twijfelde nog een beetje. Twee maanden na de sluitingstermijn van de aanmelding zat de cursus in feite al vol. Toch werd ik medio augustus 1990 uitgenodigd voor een gesprek. Ik hoorde dat ik eventueel op een wachtlijst kon worden geplaatst. Maar achteraf bedacht men het toch weer anders: ik werd meegenomen in de groep die als eerste aan de cursus begon. Deze werd gegeven door de Noord-Hollandse Bestuursacademie. Door het beleid van "achterstand-bij-allochtonen-inhalen" kwamen nogal wat emoties los. Ook bleek weer eens wat het belangrijkste probleem was: de taalachterstand. Op de cursus werd daar ruime aandacht aan besteed. Vaak was het: "In ons land zeggen we dat zo of zo." Maar het bleef moeilijk. Toen de cursus eind september van start ging was ik bijna klaar met mijn rijopleiding. Op 8 oktober was het examen en ik slaagde, zoals al gezegd, voor het bewijs van rijvaardigheid op het onderdeel trams. Een dag later kreeg ik mijn beoordeling. Daarin stond dat ik aan de gestelde eisen voldeed en in aanmerking kwam voor een vaste aanstelling. Mijn functie veranderde in die van "aspirant-personenvervoerder". Op 19 oktober - ik zat nog in een periode waarbij een mentor mijn werk begeleidde - werd in opdracht van Wim Boers, de chef Trambestuurders, een extra controle op mij uitgevoerd. Daarover rapporteerde controleur Jeroen Staring: "Komt 3 minuten te laat aan op het CS. Zet de tram vóór de halte neer en gaat op zijn gemak van alles controleren. Neemt bochten regelmatig te snel." Niemand had mij ooit verteld dat ik de tram achter de halte moest parkeren en dan snel moest wegwezen. Staring adviseerde mij langer met een mentor te laten rijden. Daarnaast waren er ook een paar rapportjes van collega's over mij; collega's die overigens zelf ook wel eens in de fout waren gegaan. Een van hen had ooit een zwangere vrouw klemgereden en een ander dacht dat de tram een taxi op rails was. Enfin, het begon er weer op te lijken dat ik een lijdend voorwerp werd waarover iedereen kon gaan zitten ouwehoeren om het oordeel over mij bij te sturen. Het woord was nu weer aan Stuurman, de rayonmanager. Zijn besluit was dat ik per 5 november terug moest naar de rijopleiding en dat de voorgestelde vaste aanstelling zou worden teruggedraaid naar een tijdelijke. Het was voor mij de zoveelste teleurstelling bij het GVB en ik kreeg van het hele gedoe een nare smaak in de mond. "Ik weet niet meer of ik wel gelukkig zal zijn met het beroep van wagenbestuur," liet ik me op een gegeven moment ontvallen. Stuurman en personeelschef Boelandt spraken hierover hun verbazing uit. Ik had de keuze voor de rijopleiding toch in alle helderheid gemaakt? Dat was ook zo, maar omdat ik zogenaamd steeds weer iets niet goed deed begon ik een beetje te walgen van de trams, het rayon en het hele GVB. De heren wisten trouwens ook heel goed dat de baan van trambestuurder niet mijn eerste keus was geweest; en dat ik er in feite ook niet voor was aangenomen. Met name Boelandt was indertijd tijd fel gekant geweest tegen mijn overplaatsing naar de Havenstraat. "Bij de metro niet, dan ook hier niet," zou hij gezegd hebben. Waarom niet? Had hij iets te verbergen? Hij was tevens afdelingschef Vervoer en had bij het GVB dus twee petten op. Swinkels was pas later in de Havenstraat gestationeerd. Hij was er aangesteld als personeelsadviseur. Op 22 november stuurde de chef Trambestuurders een waarnemer. Het was de mij reeds bekende Jeroen Staring. Zijn rapportage was zeer negatief. Ik zou volgens hem te hard hebben gereden, door rood zijn gereden en haltes voorbij zijn gereden. Dat laatste leek overigens helemaal niet zo ongewoon te zijn - getuige onder meer een steen die door een ruit werd gegooid met het volgende briefje eraan (gepubliceerd in de Pantograaf van juni/juli 1990): "Jullie hufters. De grote klootzak die gisternacht (zat. 00.00 uur) niet stopte met lijn 16 bij het Valeriuskunier/Lairessestra Mag dit raam betalen. Je moet stoppen lul, als er iemand op de halte staat en zijn hand opsteekt. Dit is nu de 2e keer al. Typhus Leijer." Zo te zien hadden ze een behoefte om dat probleem op iemand anders af te schuiven. Op mij! Het advies van Staring was mij de rijbevoegdheid voor het besturen van een tram te ontnemen.

Naar Inhoud