Een drukke decembermaand
Door middel van een brief, gedateerd 26 november 1990, deelde de rayonmanager Havenstraat mij mee dat ik niet in aanmerking kwam voor een vaste aanstelling. Dit op grond van de uitgebrachte beoordeling over mijn functioneren.
De brief werd mij om negen uur 's avonds persoonlijk gebracht door Swinkels. Hij had nog twee mannen bij zich in het blauwe pak van Ondersteunende Taken. Hij had me eerst opgebeld met de vraag of ik thuis kon blijven, want hij had een brief voor me. Over de telefoon kon hij niet zeggen waar het over ging.
Toen ze kwamen stond ik aardappels te schillen. Daarom legde ik de brief op tafel, met de bedoeling hem later te openen. Maar dat was kennelijk niet de bedoeling, want de drie mannen bleven maar in de woonkamer staan. Voor de grap zei ik: "Ik ga zo meteen een zoete aardappel en een pieper eten om te zien hoe ze integreren." De opmerking werd niet erg gewaardeerd, maar de drie begrepen wél dat ik liever zag dat ze vertrokken. Dat deden ze dan ook.
In de brief stond een hele hoop onzin. Ik begreep er onder meer uit, dat in de beoordeling waarop mijn afwijzing was gebaseerd, óók stond dat ik wél in aanmerking kwam voor een vaste aanstelling. Dat leek duidelijk maar wás het kennelijk niet.
Zo zaten we weer in dezelfde patstelling als eerder en met vrijwel dezelfde betrokkenen: Bernard Kuyt en Maureen Vreede, nu met de leiding van het rayon Havenstraat. Zelf kon ik alleen maar thuis afwachten wat er zou gebeuren. En dat alles in de drukke decembermaand. Voor Kuyt scheen de datum van 1 januari erg belangrijk te zijn. Bij al zijn voorstellen speelde die datum een rol.
Op 4 december 1990 stuurde de vertrouwensvrouw haar bevindingen naar de directie van het GVB. Zij schreef onder meer:
"In de Havenstraat (per 16-12-1989) heeft de heer Anthony zich in eerste instantie beziggehouden met controletaken, zeer tegen de afspraken in en ondanks gesprekken van de vertrouwensvrouw met de rayonleiding. De situatie (intolerantie van medecollega's bij de metro) herhaalde zich ook hier.
Door bemiddeling van de coördinator M.C. (medezeggenschapscommissie, WA) en de vertrouwensvrouw werd middels een directie-opdracht de rijopleiding mogelijk gemaakt voor de heer Anthony. De opleidingsperiode en het examen zijn goed verlopen; de cliënt had zich eindelijk bewezen. Hij was geslaagd en kon een vaste aanstelling tegemoet zien. (…)
Conclusie:
Hoe zeer ook geprobeerd is om de heer Anthony een nieuwe kans te geven, en zonder de deskundigheid van mentoren in twijfel te trekken, wil ik stellen dat het hier niet alleen om de rijvaardigheid van de heer Anthony gaat:
Iemand die voortdurend op de werkvloer onder druk staat van de plagerijen over homo's en daarboven in een onzekere rechtspositie verkeert, staat onder stress. En het breekt hem op!
Desalniettemin ben ik het met de stellingname van de rayonleiding eens t.a.v. de consequenties die zij hieraan verbindt."
Vreede had kritiek op de geheime controles die op mijn rijden waren uitgevoerd. "Niet vooraf gemelde rijwaarnemingen zijn uit den boze!" schreef ze. En ze vervolgde:
"Hoewel de rayonleiding zich heeft ingezet op bepaalde fronten, is er van een nieuwe kans echter geen sprake geweest. Zijn verleden achtervolgde hem immers. Discriminatie manifesteert zich meestal heel subtiel. Het is daarom vaak moeilijk te bewijzen, maar als ik het dossier Anthony lees, is de rode draad die er doorheen loopt: intolerantie met als gevolg discriminatie omdat hij zwart en homo is.
Ik vraag dan ook van u dat u ingevolge het gemeentebeleid en GVB-beleid handelt en passende maatregelen neemt ten aanzien van de heer Anthony, door hem een passende baan binnen het GVB aan te bieden of voor hem te bemiddelen dat hij bij een andere diensttak tewerkgesteld kan worden. (…)"
Vlak voor de Kerst, op 24 december 1990, diende ik via mijn advocaat, mr. Koot, een klaagschrift in bij het ambtenarengerecht in Amsterdam. Daarin stelde Koot onder meer: "Vanaf 1 januari 1990 tot 1 januari 1991 krijgt Anthony een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proefverlenging. Zijn functie wordt veranderd in leerling personenvervoerder. Anthony verandert van functie omdat hij op grond van zijn seksuele geaardheid en wellicht op grond van zijn huiskleur (Anthony is homoseksueel en is zwart) door collega's gediscrimineerd wordt. Met behulp van de vertrouwensvrouw heeft deze verandering van baan plaatsgevonden."
Tegelijkertijd ging een verzoek om een zogeheten voorziening bij voorraad naar de voorzitter van het gerecht. Daarin betoogde mijn advocaat onder meer: "Anthony is door de beslissing d.d. 26 november dermate benadeeld, nu de gemeente van plan is het dienstverband per 1 januari 1991 te beëindigen, dat er grote en onherstelbare schade wordt toegebracht, indien Anthony niet in de gelegenheid wordt gesteld middels een voorziening bij voorraad zijn werkzaamheden bij het Gemeentevervoerbedrijf hangende het beroep te blijven uitvoeren. Anthony heeft derhalve een spoedeisend belang bij een voorziening bij voorraad."
Aanvullend werd in dit verzoek gesteld: "Het nadeel dat Anthony heeft indien het aangevallen besluit ten uitvoer wordt gelegd is niet in evenredigheid met het belang dat de wederpartij heeft bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit. Het nadeel dat Anthony lijdt is zeer groot. Bij tenuitvoerlegging van het besluit verliest Anthony zijn functie en zijn hoedanigheid als ambtenaar. Tevens lijdt hij financieel nadeel."
Bernard Kuyt kreeg na de Kerst van mij te horen dat ik de ontslagkwestie in handen van een advocaat had gelegd en dat er al een klaagschrift naar de ambtenarenrechter was gegaan. Hij spoedde zich daarop naar de adjunct-directeur van het GVB, John Tjon A Ten. Ik had deze eerder gezien bij een actie in verband met inbraken in metrostations. Bij sommige allochtonen stond hij goed aangeschreven. Hij zou een man zijn die altijd voor rede vatbaar was. Persoonlijk had ik geen ervaring met hem. Maar door wat ik over hem had gehoord ging ik ervan uit dat ik hem zou kunnen vertrouwen.
Kuyt bleef het intussen maar hebben over die datum van 1 januari. Het gesprek met Tjon A Ten werd op 28 december gehouden in zijn kantoor. Men had zich voorbereid. Door Kuyt werd vóór we naar de adjunct gingen eerst nog iemand anders opgehaald, de heer P. Wagenaar. Tjon A Ten kwam met het volgende, schriftelijk geformuleerde voorstel:
"Gedurende 6 maanden zal de heer Wagenaar via zowel het interne als het Gemeentelijke Mobiliteitsbureau een passende functie voor u zoeken. Voor de tijdsduur van deze 6 maanden krijgt u een arbeidscontract aangeboden ten behoeve van een licht administratieve functie, waarbij in beginsel uw huidige salaris minus rooster- en andere aanverwante toeslagen als leidraad voor de salariëring geldt.
De heer Wagenaar is ermee belast om u met ingang van 1 januari 1991 een dergelijk arbeidscontract voor te leggen. Voor de goede orde meld ik u dat de inspanningsverplichting om binnen 6 maanden een passende functie voor u te vinden ervan uitgaat dat u de nodige medewerking verleent."
Ik meende opnieuw een adder onder het gras te zien. Met die arbeidsovereenkomst van 6 maanden in de functie van bureau-ambtenaar C dacht men mij na 6 maanden te kunnen lozen. En ik zou gek zijn geweest als ik mijn advocaat zou hebben verzocht het klaagschrift en het verzoek bij het ambtenarengerecht in te trekken, enkel en alleen omdat ik nog een contract voor 6 maanden aangeboden kreeg. Nee, dat ging lekker niet door. In een brief van 3 januari 1991 liet mijn advocaat dat weten aan Tjon A Ten: "Ten onrechte staat in dit schrijven vermeld dat op 28 december j.l. tussen u en cliënt is overeengekomen dat (…) Cliënt is evenwel bereid de door u voorgestelde werkzaamheden te verrichten totdat de Voorzitter en/of het Ambtenarengerecht beslist heeft over de gevraagde voorziening resp. het ingestelde beroep. Zoals u bekend beoogt cliënt nog steeds een vast dienstverband vanaf 1 januari 1991 als ambtenaar. Teneinde (nogmaals) zijn goede wil te tonen zal cliënt evenwel aan uw voorstel van 28 december j.l. meewerken onder voorbehoud van alle rechten.
Het lijkt mij redelijk dat cliënt er feitelijk financieel niet op achteruit zal gaan. In uw voorstel is hier wel sprake van."
Dit alles speelde zich af in een tijd dat er bij het GVB volop gediscussieerd werd over een mogelijke achterstelling van allochtonen. Naar ik had begrepen had Tjon A Ten die discussie aangezwengeld. Maar hoe zat het dan met mij? Was ik dan een allochtoon die wél achtergesteld mocht worden?
Copyright © 2000 - William Anthony
All Rights Reserved
Webmaster: William Anthony - Information