Op 17 oktober deed de vertrouwenscommissie uitspraak. Deze luidde:
"Voor de Commissie is onder andere vast komen te staan dat de verstoorde verhoudingen met name verband houden met:
a) de opvallende en/of vrouwelijke wijze waarop de heer A. zich tijdens de kaartcontrole zou bewegen en gedragen;
b) dat de heer A. in geval van problemen tussen collega's en reizigers (code 100) niet, althans onvoldoende, assistentie zou verlenen aan collega's.
Een aantal collega's van de heer A. zien de sub a en b genoemde oorzaken als een verstoring van hun eigen functioneren en zijn van mening dat hij zijn gedrag moet aanpassen. De ploegchef is van mening dat hij zijn houding dient te veranderen en zich in de gedachtegang van zijn collega's moet verplaatsen.
De Commissie heeft het sub a en b beweerde gedrag van de heer A. niet kunnen vaststellen.
Wel constateert de Commissie dat de heer A. zich op een aantal punten onderscheidt van collega's. Hij heeft een meer geweldloze opstelling wat betreft conflicten met reizigers, hij is zwart, heeft een wijze van gedrag die doet denken aan dat van homoseksuele mannen en weigert aan collega's openheid te geven over privé aangelegenheden. Door dit onderscheid voldoet hij blijkbaar niet aan de groepsnormen. Zijn reactie daarop is niet zo soepel, waardoor de verhoudingen blijvend zijn verstoord.
Voor de Commissie is voorts komen vast te staan dat in die verstoorde verhoudingen collega's de heer A. ongunstig behandelen onder andere middels 'geintjes', fluisteren, negeren."
De commissie achtte de klacht tegen De Beer, Verdam en Ferrier niet bewezen. Het was ook niet de bedoeling om personen te pakken. Als dat zo zou zijn dan moest de hele afdeling VIC gepakt worden. De aangeklaagden maakten deel uit een groep wagenbegeleiders, die mij als groep niet in redelijkheid accepteerde De ploegchef stond daarbij volgens de vertrouwenscommissie onvoldoende boven de partijen. De commissie adviseerde de directie aan de rayon-bedrijfsleider Metro op dragen ten aanzien van de sector VIC de groepsnormen bij te stellen, een oplossing voor de verstoorde verhoudingen te zoeken de directie daarover te rapporteren.
Zoals de feiten nu lagen zou ik per 1 januari 1990 op straat staan. Dus moest ik snel handelen. De heer Schultz, hoofd personeelszaken Metro, stuurde me naar de centrale medezeggenschapscommissie op het hoofdkantoor. Daar kreeg ik ene Bernard Kuyt te spreken. Zodra ik bij hem aan tafel zat pakte hij de telefoon en belde iemand op: "Hij zit hier bij me en kan geen kant op." Aan zijn reactie kon ik merken dat hij een scherp antwoord kreeg. Zelf had ik zo iets van: waar ben ik nu weer beland?
Hij vroeg me: "Wat is het probleem?" Ik vertelde hem mijn verhaal. Er kwam een notulist bij zitten die alles stenografisch noteerde. "We gaan onmiddellijk bezwaar aantekenen bij de Beroepscommissie Wagenbegeleiders," zei Kuyt. Hij schreef ter plekke een brief voor me en ik ondertekende die. Er stond onder meer in:
"Ik wil bezwaar maken tegen deze 2e beoordeling. Graag wil ik een mondelinge toelichting geven op de punten waarop de beoordeling negatief verloopt. Naar mijn mening hebben al deze punten te maken met feit dat ik een klacht heb ingediend bij de vertrouwenscommissie, welke klacht inmiddels in behandeling is genomen en waar nog een uitspraak over gedaan moet worden.
Ik teken dus hierbij beroep aan tegen genoemde beoordeling; mij is niet duidelijk of deze beoordeling gevolgen heeft voor mijn werk bij het GVB."
Intussen "dook ik onder" in de ziektewet. Maar op 25 oktober greep bedrijfsarts Bisschops in. Hij schreef een brief aan de leidinggevenden van de metro, waarin hij stelde:
"De arbeidsverhouding is zonder meer duurzaam verstoord. Op grond van verzuim en functioneren is ontslag onvermijdelijk. Uit sociale en situationele overwegingen kan het rechtvaardig zijn hem onmiddellijk over te plaatsen naar een totaal ander rayon. Aldaar zou dan gestart moeten worden met een volledig 'schone start' (…) Voor alle duidelijk dit is GEEN medische zaak of probleem. Dit is een duidelijke bedrijfsmanagement aangelegenheid. Problemen op het werk kunnen niet thuis opgelost worden maar alleen daar waar zij ontstaan zijn, te weten op het werk.
Om deze reden wordt betrokkene dan ook volledig arbeidsgeschikt verklaard door de BGD. Realisering echter pas NA gesprek met directe chef EN eindchef."
Toen ik de bedrijfsarts later nog eens bezocht legde hij mijn medisch dossier op tafel. Het viel me op dat iemand met een dikke rode stift iets op de omslag had geschreven: "AFGEKEURDE VIC". Ik vroeg de arts wat dat betekende. Hij zei: "Waarschijnlijk heeft Peter een natte vinger in de lucht gestoken." Peter, dat was de mij bekende keuringsarts. Ik bleef even zitten nadenken. "Kunt u er niet met tipp-Ex overheen gaan?'' vroeg ik toen. Bisschops pakte zo'n klein potje en smeerde wit over de woorden op de omslag van het dossier.
Toch wist ik eigenlijk niet wat ik zag. Vanaf het begin had ik al vermoed dat er met mijn dossier was geknoeid. Ton had mij indertijd al eens iets gezegd over de keuringsarts. En nu had ik het met eigen ogen gezien. De selecteur had het óók gezien en had mij toen opgebeld om me te zeggen dat ik afgewezen was. Zo deed men dat dus: gewoon een negatieve opmerking op de omslag van een dossier.
Ineens schoot me te binnen dat ik in juli 1988 had gesolliciteerd naar de functie van metrobestuurder/stationsbeambte en dat ik toen door de rayonmanager Metro was afgewezen omdat ik "niet aan de gestelde eis van een hoge mate van inzetbaarheid over een langere periode voldeed". Ook toen had dit dossier waarschijnlijk een rol gespeeld. De geheimzinnigheid eromheen leidde er later nog eens toe dat ik dokter Bisschops voor de Commissie van Geneeskundigen daagde. "Hij wil iemand pakken," zei één van de commissieleden bij die gelegenheid.
Hoe dan ook: uitzieken zat er dus niet in, want Bisschops had mij volledig arbeidsgeschikt verklaard. Ik ben overigens nooit met hem over iets in discussie gegaan. Misschien was dat de reden dat hij mij de omslag van het dossier liet zien. Knaagde zijn geweten misschien een beetje? Het dossier heb daarna overigens nooit meer gezien.
Achteraf bezien vond de centrale medezeggenschapscommissie dat ik ten onrechte mijn bezwaar had ingediend bij de Beroepscommissie Wagenbegeleiders. Ik was namelijk als tijdelijke kracht niet in dienst van het GVB maar van de gemeente Amsterdam. Ik moest dus bij de ambtenarenvakbond zijn, de AbvaKabo. Althans volgens de CMC. Een consulent daar las mijn stukken door en schreef namens de bond een bezwaarschrift voor me.
Eigenlijk zou ik nu klaar moeten zijn met de medezeggenschapscommissie. En daarmee zou ik ook van Bernard Kuyt af zijn, dacht ik. Maar nu begon het pas.
Op 24 oktober boog de directie zich over de uitspraak van de vertrouwenscommissie. Zij concludeerde het volgende:
"De directie conformeert zich aan de uitspraak van de Vertrouwenscommissie. Het sectorhoofd Personeel en Opleiding wordt uitgenodigd contact met de rayonmanager Metro op te nemen om een oplossing voor de verstoorde verhoudingen te onderzoeken en de directie daarover te rapporteren."
De vertrouwensvrouw was het niet eens met de uitspraak van de vertrouwenscommissie inzake "discriminatie op grond van seksuele geaardheid". Wij gaven dit op 8 november te kennen aan de directie, met de mededeling dat wij een eventueel verzoek om herziening van deze uitspraak in overweging zouden nemen. We zouden dit echter laten afhangen van de beslissing van de directie over mijn bezwaar tegen de afwijzende beoordeling.
Kuyt kreeg van Vreede, de vertrouwensvrouw, te horen dat ik voor één jaar in tijdelijke dienst bij het rayon Havenstraat was geplaatst. Hij belde me op met dat goede nieuws en vroeg me onmiddellijk naar het Scheepvaarthuis te komen. Want er moest het een en ander geregeld worden. Dat gebeurde op 29 november.
Eerder die week had ik van de Beroepscommissie Wagenbegeleiders vernomen dat mijn bezwaarschrift in behandeling was genomen. Ik werd in de gelegenheid gesteld om op dinsdag 5 december mijn zaak mondeling toe te lichten. Dat alles werd echter overbodig, zo vernam ik, omdat op hoog niveau overeenstemming was bereikt over de kwestie. "Wellicht is het tijdelijk dienstverband verlengd," dacht ik. Er bleek echter ook een voorwaarde te zijn: ik moest mijn bezwaarschriften intrekken. Daar had ik geen enkele moeite mee. Mij ging het in principe enkel om een vaste aanstelling, hoe interessant het doorlopen van een bezwaarschriftenprocedure in juridisch opzicht ook mocht zijn.
Intussen begon het tot me door te dringen dat de mensen die bij het GBV als "hulpverleners" optraden daarbij de nodige voorzichtigheid betrachtten. Logisch, want het GVB was hun werkgever. Het was een interne aangelegenheid en die moest als het even kon intern geregeld worden. Maar sommigen gunden elkaar het licht in de ogen niet; het was een kwestie van "partijen" geworden - partijen, die op een aantal punten tegenover elkaar stonden. De medezeggenschapscommissie van het rayon zag het Allochtonenoverleg als een bedreiging, een club van zwarten. En in het Allochtonenoverleg beschouwde men de centrale medezeggenschapscommissie als een club blanke racisten. De vertrouwensvrouw bungelde daar zo'n beetje tussen. Bij het Allochtonenoverleg zag men haar als een goede troef: zij beschikte over informatie waarmee de leden van het overleg hun positie konden versterken. Anderen was zij een doorn in het oog: "Racisme en discriminatie bij het GVB? Kom nou, dat soort dingen gebeurt bij ons niet."